Schrille klanken uit een land vol mijnen

Angola is een van de meest met mijnen bezaaide landen ter wereld. Wapens met een minimale prijs en maximaal effect.

Een nijptang schraapt over het asfalt en verscheurt de stilte. Met de ijzeren regelmaat van een metronoom. De eigenaar slingert zijn romp in de richting van het provinciestadje Kuito. Als zijn armen zich verplaatsen, rust zijn onderlijf, dat met lompen is omwikkeld, op het natte, vuile wegdek. Zijn werktuig houdt hij in de rechterhand geklemd.

Bijna 500 kilometer verderop, in de hoofdstad Luanda, klinkt met dezelfde regelmaat een ijzingwekkend gepiep. Een jonge man zonder benen baant zich een weg over straat op een plank waaronder drie wielen zijn gemonteerd. Twee van die wielen lopen aan. Als hij eindelijk om de hoek is verdwenen, hoor je nog steeds het gepiep.

Naar schatting een op de tweehonderd Angolezen heeft een of allebei de benen verloren door een landmijn. Dat zijn 70.000 tot 80.000 invaliden, die zich op krukken voortbewegen, met een prothese, in zelfgebouwde karretjes, of op de rug van familieleden. Allemaal hebben ze een eigen geluid.

In het provinciaal ziekenhuis van Kuito kreunen ze alleen maar zachtjes op de afdeling orthopedie. Ze hebben nog niet eens de tijd gehad om hun lichaamsdelen te missen. Ze zijn onder elkaar, de nooit meer hollende slachtoffers van de burgeroorlog. Een slagveld van geamputeerden. Zaal na zaal na zaal zijn de bedden gevuld met verminkte mensen. De 53-jarige Paulina Nduka die op een mijn liep toen ze brandhout ging zoeken. Linkeronderbeen verloren. De 22-jarige Domingoa Jaõ die een nieuw stuk land wilde bewerken. Alleen zijn rechterarm nog over. De 11-jarige Paulo Dala die op weg naar school tegen een vreemd voorwerp trapte. Mist zijn voet.

Achter het ziekenhuis ligt de werkplaats waar het Internationale Rode Kruis zestig protheses per week maakt. Leunend op krukken, hangend in een rolstoel, liggend op de vloer, kijkt een gezelschap geamputeerden verplicht naar een propagandafilmpje over de goede werken van de organisatie elders in de wereld. Met hun nieuwe protheses mogen ze aan de loopbrug straks oefenen.

Angola geldt als een van de meest met landmijnen bezaaide landen ter wereld, samen met Afghanistan en Cambodja. Volgens schattingen van de VS liggen er 85 miljoen, verspreid over 56 landen. De Verenigde Naties denken dat het werkelijk aantal twintig miljoen hoger ligt. Bomexperts onderscheiden 340 typen mijnen, die worden gemaakt in 48 landen, zoals China, Roemenië, de VS en Italië. De goedkoopste kosten minder dan vier euro. Minimale investering voor een maximaal effect.

Schattingen over het mijnenbestand in Angola lopen op tot tien, zelfs vijftien miljoen. Maar volgens de Britse Halo Trust, een van de meest gerenommeerde ontmijningsorganisaties ter wereld, zijn die cijfers veel te hoog. Zecca Agostinho, assistent-programmaleider in Angola, vermenigvuldigt het aantal in kaart gebrachte mijnenevelden met het gemiddelde aantal mijnen per veld: 36. Dan komt hij nationaal op 200.000 mijnen, ,,hooguit een half miljoen''. Dat is altijd nog één mijn voor elke 26 Angolezen.

Op het hoofdkantoor in Luanda geeft Agostinho een kort college over mijnen. Je hebt de o zo simpele landmijnen, sommige niet groter dan een schoenpoetsdoosje, die al ontploffen bij een druk van tien tot vijftien kilo. Bij kinderen zijn die vaak fataal. Je hebt ook de anti-groepsmijn, zo groot als een blik bruine bonen, die vaak in een boom is bevestigd. De onsteking is verbonden met een strakgespannen koord. Wie daartegen aanloopt, krijgt een spervuur van granaatscherven in zijn borst of gezicht. En dan zijn er ook nog de anti-tankmijnen, zo groot als een stoeptegel, die bij voorkeur op wegen en bruggen worden gelegd. Een druk van honderd tot honderdvijftig kilo is genoeg om de lucht in te gaan.

De Halo Trust heeft niet veel tekst nodig om haar missie te verwoorden: levens redden, verwondingen voorkomen, land teruggeven aan het volk. Vijf jaar geleden vestigde de Britse prinses Diana de internationale aandacht op het werk van de organisatie in Angola door zich als mijnenruimer in een mijnenveld te wagen, op een moment dat het land zich even koesterde in de luwte van een vredesakkoord. De Trust wordt ondermeer door de Anti-Landmijnstichting, de Nederlandse overheid en de Europese Unie gefinancierd.

Jorge Noguesa Leite, de plaatselijke Halo-baas in Kuito, neemt me mee naar een mijnenveld bij het vliegveld, vlak naast twee vluchtelingenkampen. Ik moet een beschermend masker dragen. Ik krijg een explosievenwerend vest omgegord, met een metalen schaamlap voor mijn kruis.

Het werk begint met een vijftien minuten durende veiligheidsinstructie, elke dag weer. Mijnenruimen is niet moeilijk, wel inspannend, arbeidsintensief en eentonig. Eén moment van onoplettendheid of nonchalance kan fataal zijn. Om de concentratie niet te laten verslappen wordt er alleen 's ochtends gewerkt, als het nog niet zo heet is. Elk half uur wordt er gepauzeerd.

Zie hier de uitrusting van een ontmijner: een emmer, een stok met daaraan een touwtje, een schepje, een tweede stokje, een heggenschaar, een elektronische mijndetector en een geplastificeerde rondje metaal. Met dat rondje dat steeds weer uit de achterzak wordt opgediept, kan de detector nauwkeurig afgesteld worden. Tot dertig centimeter diep moet de detector elk stuk metaal met gepiep signaleren, hoe groter het voorwerp, hoe harder het geluid. Vervolgens wordt het voorwerp met het schepje blootgelegd, en als het een mijn is later tot ontploffing gebracht.

De ontmijners, allemaal Angolezen, grazen het land af in stroken van 25 meter lang en een meter breed. Het touw markeert die repen. De stok is de veilige grens van waarachter de mijnenveger werkt, en wordt telkens verlegd. Met de heggenschaar knipt hij het gras nadat hij er eerst met het rietje doorheen gaat om te controleren of hij niet op een strak gespannen koord stuit dat naar een anti-groepsmijn leidt.

Het ruimen van een mijnenveld van zo'n 18.000 vierkante meter kost een team van een tiental mensen tenminste een half jaar. Gemiddeld zijn er dan 36 mijnen onschadelijk gemaakt. Zelfs als de vrede uitbreekt in Angola duurt het nog jaren voor de bevolking van de landmijnen is verlost. Souveniers van een broederstrijd.

Dit is het tweede deel in een korte serie over de vergeten oorlog in Angola. De eerste aflevering verscheen op 23 februari en is nog te lezen op www.nrc.nl