Overheid moet rol spelen bij aanleg van breedbandnet

Vrijwel iedereen in Nederland is het er wel over eens dat glasvezel tot in ieder huis de toekomst heeft. Glasvezel is nodig voor supersnel internet, voor interactieve diensten en voor vele andere prachtige toepassingen. Vrijwel elke zichzelf respecterende gemeente onderzoekt daarom de mogelijkheden. Toch legt de sector die de eerst aangewezene zou zijn om deze kabels aan te leggen (de telecom- en kabelsector) nog geen glasvezel tot in de huizen aan. Zij merkt op dat glasvezel naar ieder huis te duur is, dat de diensten die de opbrengsten moeten gaan leveren er nog steeds niet zijn, en dat het nog maar de vraag is of de gebruiker wel wil gaan betalen voor breedband.

Is hier sprake van marktfalen? Ja, roepen de voorstanders van breedband. Zij wijzen daarbij op de slechte kaspositie van de telecomsector en stellen dat deze bedrijven nog geen behoefte aan glas hebben zolang ze nog hun bestaande koperen telefoon- en kabelnetwerken kunnen uitnutten. En daardoor komt een maatschappelijk zeer gewenste voorziening niet tot stand.

Neen, roepen deze bedrijven op hun beurt. De markt werkt juist fantastisch, want er worden geen onoverzienbare risico's genomen. Zoals gewoonlijk ligt de waarheid ergens in het midden.

Inderdaad is het investeren in glasvezel tot in ieder huis momenteel nog duur en risicovol. De techniek ontwikkelt zich nog steeds (de koperen coaxkabelnetten blijken telkens verder te kunnen worden opgewaardeerd) en diensten waarvoor consumenten willen betalen zijn er nog nauwelijks. Toch faalt de markt.

Nederland heeft behoefte aan snelle en veilige verbindingen. Het probleem is echter dat de opbrengsten daarvan vooral bij partij A terechtkomen en de kosten en de risico's bij partij B. De opbrengsten komen namelijk terecht bij een veelheid van partijen, maar niet zozeer bij de aanbieders van breedband. Wel bij de aanbieders van hardware bijvoorbeeld. Vanaf de leveranciers van snellere pc's en webcams tot aan Sony met zijn Playstations. Of bij de aanbieders van software. Supersnel internet maakt weer allerlei nieuwe toepassingen mogelijk. De ervaringen bij studenten die nu al snel internet hebben spreken boekdelen. En wat te denken van de contentindustrie, de aanbieders van films, (interactieve) tv-programma's, videofragmenten, digitale schoolboeken, multimediapresentaties etc.

En misschien nog wel belangrijker zijn de maatschappelijke opbrengsten door kostenbesparing in de gezondheidszorg en de thuiszorg. Videoconferencing kan de zorg voor ouderen, bedlegerigen en andere thuiszorgbehoeftigen verbeteren. Maar ook kosten besparen in het onderwijs: thuisleren, snelle verbindingen tussen scholen en bedrijven, digitale leeromgevingen. Besparingen door de mogelijkheid van telewerken, waardoor bijvoorbeeld het fileprobleem een stuk minder kan worden. Of besparingen bij de overheid zelf, die producten on-line kan aanbieden.

De kosten en risico's zitten bij A, terwijl de opbrengsten bij B terechtkomen. In de economische theorie is dit een klassiek geval van externe effecten. De oplossing voor dit marktfalen is overheidsingrijpen. Dit kan allerlei vormen aannemen: bijvoorbeeld kostprijsverlagende subsidies, afdekken van financiële risico's, of directe investeringen van de overheid in de infrastructuur, zoals bij autowegen. Alleen als de overheid snel ingrijpt, de markt corrigeert en duidelijkheid biedt aan de marktpartijen, kan Nederland de vruchten van verdere ICT-ontwikkeling plukken.

Drs. W.J. Deetman is voorzitter EPN en burgemeester van Den Haag. Drs. P.C.J. van der Wel is directeur EPN.