`Onvriendelijk stipje' heeft kritiek

Lee Kuan Yew van Singapore heeft kritiek op de aanpak van terreur in Indonesië. Hij heeft makkelijk praten; zijn land kan zich verschuilen achter autoritaire wetten.

Als `senior minister' Lee Kuan Yew spreekt, hangt Singapore aan zijn lippen. De oud-premier ging in 1990 met pensioen, maar trekt achter de schermen nog steeds aan touwtjes. Hij is de politieke goeroe van het eilandstaatje, dat hij in 25 jaar tot de economische krachtcentrale van Zuidoost-Azië maakte. In de buurlanden Maleisië en Indonesië slaat het respect voor Lee heel snel om in ergernis. Als de veteraan weer eens een kat uitdeelt aan de buren, loopt boos volk te hoop in Kuala Lumpur of Jakarta.

Het is weer zover. Vorige week zei Lee dat Singapore ,,nog steeds wordt bedreigd door terroristen omdat in Indonesië militante moslimleiders vrij zijn om te gaan en staan waar zij willen.'' Indonesië ontbood de zaakgelastigde van Singapore en vroeg om opheldering. Parlementsleden eisten van de regering verdergaande stappen en islamitische scherpslijpers gingen boos de straat op. Gisteren en vandaag verbrandden zij Lee-poppen voor de Singaporese ambassade en eisten zij verbreking van de betrekkingen met het stadstaatje.

Singapore is in veel opzichten de tegenpool van zijn beide buren en de tegenstellingen met Indonesië zijn het grootst. Stenen des aanstoots zijn dan ook gauw gevonden. Etnische Chinezen, afstammelingen van Chinese handelaren en contractarbeiders, maken 78 procent uit van de ruim 3 miljoen Singaporezen. In Indonesië is hun aandeel maar 3 procent. Maleiers – Maleis sprekende moslims, die in de twee buurlanden verreweg in de meerderheid zijn – zijn in Singapore met 14 procent een lang als vijfde colonne gewantrouwde minderheid. Het stadstaatje is ook `een Chinees eiland in een zee van Maleiers' genoemd.

Toen de wereld nog repte van een `Aziatisch wonder' en ook Maleisië en Indonesië mooie groeicijfers haalden, spande het van corruptie en invoertarieven vrije Singapore de kroon. Indonesië is de crisis van 1997 nog steeds niet te boven, Singapore allang. Veel etnisch-Chinese entrepreneurs namen in 1997 de wijk van Indonesië naar Singapore en kijken daar de kat uit de boom. Die kapitaalvlucht heeft veel kwaad bloed gezet en politici in Jakarta verleid tot verwijten van economische sabotage. President B.J. Habibie noemde Singapore ,,dat onvriendelijke rode stipje'' en zijn opvolger Wahid verweet het buurlandje zijn Maleise minderheid uit te buiten.

De Indonesisch-Singaporese betrekkingen beleefden een lange periode van bloei onder het autoritaire presidentschap van generaal Soeharto. Premier Lee Kuan Yew had respect voor Soeharto, die hij als een politieke geestverwant beschouwde. Beide leiders zorgden voor economische groei en depolitiseerden hun samenleving. Zij lieten hun burgers betalen voor de nieuwe welvaart met politieke onmondigheid. Kort voordat Lee in 1990 aftrad als premier vergeleek hij zijn vriend Soeharto met diens voorganger Soekarno, die in 1964 de konfrontasi met (het toen nog met Singapore verenigde) Maleisië aanging. ,,Het is voor ons een uitzonderlijk groot geluk geweest'', zei hij toen, ,,dat president Soeharto de opvolger is geworden van Soekarno. Zuidoost-Azië zou er vandaag heel anders hebben uitgezien, als in Indonesië een tweede Soekarno was aangetreden.'' Wat was bedoeld als een compliment voor de zittende president, werd in Indonesië vooral opgevat als een ongehoorde aanval op diens voorganger. In hoofdredactionele commentaren, ingezonden brieven en kamercommissies werd de vraag gesteld hoe een bevriende regeringsleider het in zijn hoofd haalde om de Indonesische vader des vaderlands te belasteren.

Sinds Soeharto in 1998 tot aftreden werd gedwongen, experimenteert Indonesië met de democratie. Dat experiment verloopt chaotisch en gaat gepaard met openlijke machtsstrijd en opstandige gewesten. Lee valt als zoveel oude mensen terug op de vroegste lessen van zijn lange leven en wordt meer en meer een neo-confuciaan, die hecht aan harmonie en eerbied voor ouderen en hoger geplaatsten. Hij vindt het Indonesische experiment dan ook een onding en houdt dat niet geheim.

Vorige week verweet hij Indonesië niet voldoende te ondernemen tegen moslimextremisten. Jakarta heeft daarop verklaard dat het alles doet wat rechtens in zijn vermogen ligt om het terrorisme te bestrijden. Minister van Buitenlandse Zaken Hasan Wirajuda zei dat Indonesië niet langer kan terugvallen op een pendant van de Singaporese en Maleisische Internal Security Act, die het mogelijk maakt verdachten van staatsgevaarlijke activiteiten zonder bewijs en voor onbepaalde tijd vast te houden.

De gematigde Indonesische moslimgeleerde Nurcholish Madjid pleit voor een `proportioneel antwoord' op Lee. ,,De man was een succesvol leider en zijn zelfvertrouwen is navenant, dat weten we. Daarom moeten we niet te emotioneel reageren.'' Madjid beseft dat Lee's mega-ego op de niet erg zelfbewuste Indonesische moslims werkt als een rode lap op een stier, maar vindt dat zijn landgenoten zich niet mogen laten verblinden door hun ergernis: ,,Wie weet, misschien heeft hij gelijk en schieten we tekort. Maar voordat we mensen oppakken, moeten we bewijzen hebben. We gaan niet de democratie verkwanselen.''