Met iedereen meeleven kan niemand

Hoe kan het dat wij gewoon leven, lekker een glas wijn drinken, een mooie oude stad bezoeken, blij zijn met een nieuwe computer terwijl we weten dat tegelijkertijd andere mensen vervolgd worden, verhongeren, dakloos over straat zwerven, dodelijk eenzaam zijn? Hoe kan het dat wij niet in een permanente staat van rouw en verdriet leven? Dat moet wel komen omdat wij eelt op onze ziel hebben.

Dat is de stelling die het tijdschrift Streven aan verschillende auteurs voorlegde, met de vraag om erop te reageren. Dat levert interessant reacties op. Op het eerste gezicht lijkt de stelling weinig tegenspreekbaar, het is immers waar dat we in het volle besef van andermans ellende toch doen alsof het werkelijk belangrijk is dat onze citroentaart goed uit de oven komt of dat we een half uurtje praten met iemand die we aardig vinden. Dat we het journaal met droge ogen bekijken en meteen daarna iets gaan doen dat ons meer bezighoudt. Dat verraad aan de werkelijk belangrijke dingen is onvermijdelijk, schrijft hoogleraar filosofie Arnold Burms. Er is een tweespalt in ons bestaan die niet op te lossen is er is immers niet één allerbelangrijkste waarheid waarop we voortdurend onze aandacht gericht kunnen houden. We verraden en verloochenen altijd wel iets. De eis om dat niet te doen is absurd. Er zijn altijd mensen en situaties die tijdelijk onze aandacht opeisen en die we niet zien in het licht van het Grote Werken aan het Algemene Welzijn, en dat is maar goed ook.

Meer auteurs pakken, op verschillende gronden, de eis aan dat we voortdurend betrokken zouden moeten zijn. Dat kan nu eenmaal niet. Dat betekent nog niet, zoals een andere filosoof, Paul Valadier, uitlegt, dat we niets kunnen doen. We kunnen alleen niet persoonlijk de hele wereld redden. Hij zet zich af tegen de eisen van bijvoorbeeld Jean-Paul Sartre en Emmanuel Levinas, die om verschillende redenen vinden dat we verantwoordelijk zijn voor alles en iedereen. In een stuk van Guido Vanheeswijck over Primo Levi wordt Levinas juist weer met instemming aangehaald, al wijst ook hij op het `filosofische' van Levinas' appel.

Verrassend is de reactie van Ger Groot, die vaststelt dat `eerste keren' altijd heviger zijn en dat we dat bij aangename sensaties gewoon accepteren, maar de afzwakking van onze ontzetting ervaren als een schandaal. Terwijl die net zo vanzelfsprekend is. En net als we soms nog vervoerd kunnen raken, kunnen we soms nog ontzet raken. Vooral als degenen die ons nastaan iets overkomt. Politicoloog Marc Hooghe schrijft: ,,Terwijl bij mijn geliefden een ietwat ongelukkige blik reeds voldoende zal zijn om mij tot actie aan te porren, zal de bevolking van Soedan heel wat erger lijden moeten doorstaan om mij tot soortgelijke handelingen aan te zetten.'' En dat is maar goed ook, betoogt hij als we geen onderscheid zouden maken tussen het lot van een onbekende en dat van ons kind, kon er helemaal geen samenleving bestaan. Zonder een `minimum solidariteit' evenmin, Hooghe spreekt zelfs van `onze verplichting tot solidariteit' en ontwerpt een heuse formule, die in een figuur uit te drukken is.

Streven, 69ste jrg. nr 2. Uitg. Jan Koenot, Antwerpen, issn 0039 2324