In Den Haag zingt de zanger in het geniep

Het podium van de Haagse Dr. Anton Philipszaal was gisteravond voor het `Vocaal recital' verkleind met enorme zwarte doeken. En vanaf rij 11 waren in de zaal de overige zestien lege rijen en het lege balkon ook met zwart doek afgeschermd. Op het podium: een zwarte Steinway, een zwart geklede pianist en een zwart geklede zanger. Slechts ingewijden konden deze sinistere setting duiden: een bijeenkomst van het Geheim Haags Genootschap van Liedliefhebbers. Het Genootschap zal nog lang in het geniep bijeenkomen, want aan de duister spiegelende glazen buitenkant van de Haagse concertzaal mag geen enkel affiche hangen. De Hagenaars zouden er eens achter komen wat er daarbinnen gebeurt!

De sfeer bij het Geheim Genootschap blijft daardoor zeer intiem en dat heeft voordelen. Voordat de zanger na de pauze verder zong, raakte hij wat in gesprek met het publiek. Iemand mocht nog best even uithoesten, al merkte de zanger op dat zangers zelf nooit hoesten. En de zanger verwonderde zich erover dat er in een zo grote stad als Den Haag zo weinig publiek was gekomen voor een van de mooiste verschijnselen in de muziek: de liedkunst.

Afwezigheid viel de aanwezigen nu juist niet te verwijten, maar de zanger spoorde hen wel aan om ten behoeve van andere kunstenaars hun vrienden en kennissen daarover in te lichten. Daarop ging de zanger verder met het zingen van Schuberts lied Der Sänger, waarin een zanger door een koning als dank voor zijn zingen een gouden ketting krijgt aangeboden. Maar een ketting vindt de zanger meer geschikt voor ridders, hij wil liever een gouden beker met de beste wijn om zijn keel te smeren.

De zanger was Thomas Quasthoff, met zijn ideale timbre en sterk beeldende voordracht een van de allergrootste zangers van deze tijd. In de wereldcentra van de klassieke muziek behoren zijn optredens tot de hoogtepunten van het jaar. Quasthoff zong een prachtig samengesteld programma van liederen van Loewe, Schubert en Brahms. Het ging in de teksten vaak over zangers, over zingen, over vogels en nachtegalen en over Tom der Reimer die een blonde elfenkoningin ontmoet. Ze spoort hem aan: ,,Nimm deine Harf und spiel und sing, und lass dein bestes Lied erschallen!''

Het optreden van Thomas Quasthoff, uitstekend begeleid door Charles Spencer, was in deze kleine kring zonder enige visuele afleiding en voor een zeer geconcentreerd luisterend publiek buitengewoon indringend. Temidden van de zes hoogst expressief gezongen balladen van Loewe was het als een gekmakende angstdroom gezongen Edward het zwaartepunt: exemplarisch voor de vroege romantiek met Edwards heftige en radeloze wanhoop over het doden van zijn paard en zijn vader.

Na Schuberts Szene aus Faust, waarin Quasthoff op indrukwekkend contrasterende wijze afwisselend de rollen zong van de boze geest, Gretchen en het koor met het Dies irae, klonken nog de Vier ernste Gesänge van Brahms. Quasthoff is onnavolgbaar in deze late liederen op bijbelteksten over de dood. Waar Brahms in Ein deutsches Requiem nog troost bood, heerst in de eerste drie liederen alleen nog cynisme en verlangen naar de dood. God bestaat hier niet, zijn bestaan wordt in deze Prediker-teksten zelfs impliciet betwijfeld. De enige troost is in het laatste lied naar Paulus' Brief aan de Corinthiërs nog de liefde, maar ook die klonk hier hopeloos macaber.

Quasthoff zingt 27/2 in Rotterdam, 2/3 in de Matinee in Amsterdam, rechtstreeks uitgezonden door Radio 4.