Gewoon bijzonder

Wat is de formule van JP Balkenende?

Nee, niet weer van dat haar, maar van de man.

Aangevoerd door `JP' is het CDA na jarenlang gestoethaspel onder onwaarachtige carrièristen momenteel de enige grote partij die de koers recht weet te houden in zeezieke peilingen. Hij werd gevierd op het CDA-congres en de pers maakte bewonderend melding van zijn zelfbewuste maar bescheiden presentatie. Ook zijn partij krijgt kennelijk de geest, want in het verkiezingsprogramma werd meteen maar de wens opgenomen om af te rekenen met het thuisblowen (een variant op het door Paars gedoogde thuiskweken: het goedje wordt in `de thuissfeer' meteen geconsumeerd, opnieuw een bewijs van ons hellende vlak: directe behoeftebevrediging, immers, een kwaal van deze tijd).

Een loffelijk streven, want we hebben heldere hoofden nodig in deze moeilijke dagen. Bovendien is het een aanwijzing dat het verjongde of het net op tijd weer verouderde CDA zelfvertrouwen heeft herwonnen.

Maar de wervingskracht van Balkenende reikt verder dan zijn confessionele achterban. Hij appelleert aan de behoefte te kunnen zien hoe Nederland eruit zag in fatsoenlijker tijden, toen alles beter was of op zijn minst nog overzichtelijk. Hij is moreel bewogen zonder zichzelf te overschreeuwen (daar gaat Rosenmöller), ernstig maar gespeend van fanatisme (dus geen Melkert), weet zelfspot te gebruiken (op zijn tijd natuurlijk), zonder te vervallen in roekeloosheid (vaarwel, Pim Fortuyn). Balkenende oogt met andere woorden oprecht, bedachtzaam en vooral authentiek, en niet als een digitaal bestuurde Frankenstein-creatie van spin doctors of mediatrainers. Een echte christen ook, althans zoals we die ons voorstellen van vroeger.

Voor niet-confessionele kiezers kan Balkenende dus om vergelijkbare redenen aantrekkelijk zijn als het bijzonder onderwijs voor hun kinderen. In een tijd waarin alles waar `openbaar' voor staat onmiddellijk riekt naar verwaarlozing en verloedering, gedijt het gewoon bijzondere, of het bijzonder gewone. Het verwijst naar wat we menen te zijn verloren: de nestwarmte van een nette Nederlandse cultuur, verbeeld in een gedomesticeerde, niet verplichtende religie die dient als baken en beschaafd statussymbool.

Het is ook niet voor niets dat Balkenende de trotse titel `professor' zo goed draagt. Natuurlijk is het fuifnummer Fortuyn ook een `professor', maar bij hem klinkt die titel toch altijd te kluchtig, als een harde klap op de tapkast. Fortuyns professorale status past bij de opgewonden mediacratie: elke dag een krasse uitspraak, elke week een knetterende rel, de wrok van het miskende talent gecombineerd met het zorgeloze `laat maar waaien' en `ik-zeg-maar-wat (ook al meen ik het)' van de jaren zestig. Hoe anders is dan Balkenende, een professor die ons nooit met de geheimen van zijn liefdesleven zal vervelen en die zijn Beerenburg gewoon uit een glas drinkt.

Maar biedt JP, behalve troost en geloof, ook hoop? Een blik op het klimaat waarin deze verkiezingen zich afspelen maakt het er niet eenvoudiger op. Ondanks het feit dat de komende Boekenweek, naast de verkiezingen ook zo'n monumentale oefening in nationale trots, dit jaar gewijd zal zijn aan het onthechte thema `liefde', regeren in het openbare debat angst, wrok en haat. Overal schieten de remmen door en wordt er gezocht naar de overtreffende trap, van de oprispingen van Pim Fortuyn over alles wat hem voor de mond komt, tot de uitschieter van Karin Adelmund die ook haar partijtje wilde meeblazen in het fluitketelorkest van paniekprofeten.

Soms lijkt het of we met al die grootspraak over Beschaving, Moderniteit en Verlichting – terug zijn in de negentiende eeuw, en de hele twintigste eeuw opeens geruisloos is verdwenen: de coulissen ingetrokken en met een doek chloroform het zwijgen opgelegd. De eeuw namelijk waarin zulke grote woorden werden gerelativeerd, voorzien van een context en het besef dat ze gemengde zegeningen zijn, die in het uiterste geval in hun tegendeel kunnen verkeren. En dat niet zomaar, of als academische exercitie, maar omdat daadwerkelijk de lengte van hun schaduw kon worden gevoeld, toen het verlichte westen zich in een orgie van geweld stortte.

Het enige dat we ons daar nu nog van lijken te herinneren, is dat er een tijd was waarin Nederland nog rustig Nederland was. Enter JP Balkenende.

Nu wordt het zelfbeeld van een natie nooit zomaar aangetroffen, maar altijd geconstrueerd uit een geïdealiseerd verleden, dat kan ook niet anders, en wij zijn nu kennelijk hard bezig aan het onze te knutselen. Maar in dat klimaat zal Balkenende voor de keus komen te staan tussen een christelijke vorm (die ook niet-kerkelijke kiezers aantrekt) en een confessionele inhoud, een keus die voor hem knellender is dan voor een pragmatische Macher als Lubbers. Het eerste sluit aan bij de wensen van een autochtone meerderheidscultuur die zich onzeker voelt door de moderniserende revoluties die onder Paars – in weerwil van het beeld van stagnatie – over het land zijn gerold. En daarom kan Balkenende het onbekommerd hebben over `onze' normen en waarden; al is hij de leider van een partij die, zoals in de euthanasie-kwestie, juist grote moeite heeft zich te vinden in de wettelijke formulering van die normen.

Maar als hij kiest voor een confessionele inhoud, rijzen andere vragen. Waarom zou Balkenende dan niet pleiten voor een islamitische zuil, een variant op de soevereiniteit in eigen kring die hem en zijn eigen geloofsgenoten heeft gebracht waar ze nu zijn? Het aftasten van de grens tussen openbaar en bijzonder moet voor een confessionele politicus die meer wil dan een vage religiositeit uitstralen, toch aanlokkelijker zijn dan toetreden tot de herenclub die bij de koffie de wereldzaken reduceert tot mentaliteitskwesties, compleet met tirades tegen achterlijke religies?

Na de Machers is de professor terug in het CDA. Het is nog de vraag wat hij ons wil leren, behalve de bekende lessen van de bovenmeester: niet roken op je kamer, huiswerk maken, en je gedragen. Maar misschien is dat voor ons, benarde burgers, al genoeg.