Afghaanse minister is aangewezen op een bijbaan

De Afghaanse interim-regering wil snel aan het werk voor de wederopbouw van het land, maar kan door geldgebrek niets uitrichten.

Terwijl enkele tientallen ambtenaren precair balanceren op het randje van het hekloze dak van het departement van onderwijs, hijst prof. Rasul Amin, sinds kort minister, voor het eerst weer plechtig de oude Afghaanse vlag boven het gebouw. Uit aller keel galmt spontaan een krachtig `Allah-u-Akbar', Allah is groot, want ook na de verdrijving van de Talibaan blijft Afghanistan diep van de islam doordrenkt.

Ook op andere ministeries wappert sinds woensdag, op speciale instructie van premier Hamid Karzai, de zwart-rood-groene vlag. Die was onder het bewind van de door zichzelf geobsedeerde mujahedeen en de van religie bezeten Talibaan in onbruik geraakt. Met deze symbolische daad wil de nieuwe interim-regering haar verbondenheid met land en samenleving onderstrepen.

Veel meer hebben Karzai en zijn collega's op het ogenblik niet te bieden. Zo hebben de ambtenaren van Amin, die bloemrijk kan spreken over de toekomst van het Afghaanse onderwijs, al zes maanden geen salaris gehad. Dit hoewel niet alleen de interim-regering maar ook de internationale gemeenschap, inclusief president Bush, onderwijs tot hoogste prioriteit heeft uitgeroepen. ,,Ik kan mijn ambtenaren niet kwalijk nemen dat ze 's middags vaak weg zijn'', zegt de minister. ,,Dan moeten ze geld verdienen met andere baantjes. Ze moeten per slot van rekening ook eten.''

Op het naburige ministerie van Planning, dat in het zwaar verwoeste land eveneens een sleutelrol zou moeten vervullen, is de toestand niet veel anders. Onderminister Ali Ashgar Paiman is zojuist teruggekeerd van zijn andere baan als docent aan de universiteit van Kabul, die hij voor de zekerheid heeft aangehouden. ,,Niet dat ik daarmee trouwens op het ogenblik iets verdien'', zegt hij met een wrang lachje.

De hopeloze financiële situatie van de regering noopt premier Karzai tot allerlei bedelreizen in het buitenland. Zo was hij afgelopen weekeinde kort in de Verenigde Arabische Emiraten. Met 1,6 miljoen dollar in baar geld keerde hij terug. ,,Hij heeft mij daarvan 300.000 dollar beloofd'', aldus een verheugde Amin, die dit luttele bedrag wil verdelen over de 30 provincies die Afghanistan telt.

Voor talentvolle ambtenaren is onder deze omstandigheden de aandrang groot hun baan bij de regering op te geven en in plaats daarvan bij een hulporganisatie van de VN te solliciteren. Die betalen vorstelijk en hebben bovendien op zijn minst evenveel in de melk te brokken als de Afghaanse regering zelf. Sommige hoog opgeleiden zijn zelfs bereid om eenvoudige baantjes als chauffeur of vertaler bij de VN te aanvaarden.

,,Er komt tot nu toe weinig terecht van de belofte van de donorconferentie in Tokio dat vooral de Afghanen zelf de leiding moeten hebben bij de wederopbouw'', constateert Abdul Salam Rahimi, lid van de commissie die de aanstaande loya jirga, een soort constituerend beraad, voorbereidt. ,,Mede door een gebrek aan middelen verkeren noch de regering-Karzai, noch wijzelf in de commissie voor een loya jirga in een positie om een stempel op de gang van zaken te drukken.''

Op de donorconferentie van vorige maand in Tokio besloot de internationale gemeenschap 4,5 miljard dollar uit te trekken voor de komende vijf jaar. Maar de Afghaanse regering heeft hiervan tot dusverre nagenoeg niets ontvangen. ,,Onze ervaring leert dat het nog zeker drie of vier maanden duurt'', zegt Khaled Mansour, woordvoerder van het Wereld Voedsel Programma (WFP), ,,voor die toezeggingen daadwerkelijk in de begrotingen van donorstaten zijn verwerkt en het eerste geld wordt overgemaakt.''

Hoewel de VN een prominente rol voor zichzelf opeisen bij de politieke en economische wederopbouw van Afghanistan, komt de organisatie zelf ook maar langzaam op gang. Zelfs VN-functionarisssen in Kabul beklagen zich over de trage wijze waarop in New York de budgetten worden opgesteld en nieuwe staf voor Afghanistan wordt aangenomen. Alleen op het terrein van de noodhulp lopen de zaken tamelijk gesmeerd.

Veelzeggend voor de verhoudingen was begin januari een voorval met de kersverse minister van Communicatie, Abdul Rahim. Die vertelde Jurjen van der Tas, een bezoekend medewerker van Novib, dat hij was ontboden voor een onderhoud met de speciale VN-gezant Lakhdar Brahimi. ,,Maar volgens het protocol had ik toch eigenlijk hem moeten ontbieden'', merkte de minister fijntjes op.

Intussen staat het kabinet van premier Karzai, alle goede bedoelingen ten spijt, voorlopig met lege handen, terwijl de verwachtingen juist alom hoog gespannen zijn. ,,De regering moet snel iets laten zien, anders loopt haar geloofwaardigheid en daarmee de vreedzame wederopbouw ernstig gevaar'', zegt Abdul Salam Rahimi. ,,Maar om iets te kunnen uitrichten heeft ze natuurlijk geld nodig'', aldus Rahimi, die de kosten van het in stand houden van het overheidsapparaat op zo'n 20 miljoen dollar per maand becijfert.

Een medewerker van Unicef vraagt er echter begrip voor dat de donoren niet onmiddellijk grote sommen geld op de rekening van de nieuwe Afghaanse regering storten. ,,Het is nog maar een regering in wording, die nog moet bewijzen dat ze goed kan regeren. Je kunt niet verwachten dat een donorstaat bij voorbeeld zo maar dertig miljoen dollar overmaakt naar Karzai.''

Het is waar dat de nieuwe regering op veel terreinen nog niet overtuigt. Om te beginnen is haar greep op het land zwak. Vooral buiten de hoofdstad maken lokale krijgsheren vaak uit wat er in hun gebied gebeurt. Verder hebben sommige ministers er een handje van om, naar oud Afghaans gebruik, hun departementen te vullen met leden van de eigen familie, clan of etnische groep. Tot ergernis van de rest van de bevolking, die had gehoopt op een minder bevooroordeelde nieuwe regering.

Met name de belangrijke ministers Mohammed Qasim Fahim van Defensie en Yunus Qanuni van Binnenlandse Zaken, beiden Panshiri's van de Noordelijke Alliantie, hebben hun eigen achterban op hun departementen geïnstalleerd. Zo proberen ze greep te krijgen op het land, inclusief de Pathaanse gebieden in het zuiden, door bijvoorbeeld hun welgevallige gouverneurs aan te stellen.

Deze ontwikkeling baart medewerkers van de VN ernstige zorgen. De Pathanen, de grootste etnische groep van het land, voelen zich immers na de val van de overwegend Pathaanse Talibaan toch al achtergesteld. Als het toch al precaire evenwicht van het moment door de regering-Karzai nog meer zou worden verstoord, hoeft die onder de Pathanen niet langer op steun te rekenen. En dat zou zelfs de opmaat kunnen vormen tot een nieuwe ronde van ontwrichtende etnische oorlogsvoering.