25 februari

Ter hoogte van de Stopera hield een bejaarde man me aan. Hij was lang en fors gebouwd, droeg een beige regenjas en een bruine pet en keek me met vreemde, lege ogen aan.

,,Ben ik hier ergens waar de joden... weggemaakt werden?'', vroeg hij nogal hulpeloos.

Ik knikte. ,,Ik weet niet wat u precies zoekt...''

,,Dit is toch het Waterlooplein?''

,,Ja. Wilt u soms naar de herdenking van de Februaristaking bij de Dokwerker?''

,,Ja!'', zei hij verheugd, alsof hem plotseling iets te binnen schoot.

Ik bood hem aan met me mee te lopen, omdat ik er zelf ook heen wilde. Hij knikte dankbaar. ,,Blij dat ik u tref'', zei hij terwijl hij stevig doorstapte. Hij vertelde dat hij 79 jaar was en al die jaren geen herdenking bij de Dokwerker had overgeslagen. Maar deze keer was hem iets vreemds overkomen.

,,Ik was opeens alles weg. Daar heb ik de laatste tijd vaker laatst van. In de metro hierheen zei ik alsmaar tegen mezelf: naar het Waterlooplein, naar het Waterlooplein. En ik stap uit, en ik ben het weg. Dat is zó vervelend...''

Ik vroeg hem of hij Amsterdam goed kende. ,,Ja, natuurlijk'', zei hij, ,,ik ben hier geboren, ik heb hier altijd gewoond.''

,,En weet u hoe u straks weer thuis kunt komen?''

Hij knikte en zei ijverig: ,,Dan moet ik de metro nemen naar het station en daar overstappen op de bus. Ik woon in Noord. Met mijn vrouw, maar die gaat nooit meer mee.''

We liepen verder door de buurt waar de razzia's op de joden plaatsvonden die de Amsterdamse bevolking tot de staking op 25 en 26 februari 1941 hadden geïnspireerd. Ik rekende uit dat hij toen achttien moet zijn geweest, een Amsterdamse jongen in de kracht van zijn leven. Ik vroeg hem of hij zelf destijds had deelgenomen aan de staking. Hij schudde zijn hoofd. ,,Ik geloof het niet.''

Inmiddels waren we bij het Jonas Daniël Meijerplein gekomen, waar zich al veel mensen hadden verzameld voor de dranghekken rond de Dokwerker, het beeld van Mari Andriessen. Er brandden vuurtjes op het plein en er waren al wat bloemstukken neergelegd. Mijn tijdelijke metgezel stak roekeloos het zebrapad over, zonder op de verkeerslichten te letten. ,,Ik denk dat ik veel bekenden zal zien'', zei hij. Hij bedankte me en liep door.

We waren vroeg, de herdenking zou pas over een halfuurtje beginnen. Windvlagen rukten aan mijn paraplu, er viel niet te ontkomen aan de zweepslagen van de regen. Ideaal herdenkingsweer. Burgemeester Cohen kwam aangelopen, achter de rolstoel met zijn vrouw. Ik besloot een blokje om te lopen om de tijd te doden en om ergens dekking te zoeken.

Zo kwam ik in de Muiderstraat terecht, achter het Jonas Daniël Meijerplein. Ik keek de straat in en zag in de verte een lange man staan, met zijn armen leunend tegen een geparkeerde auto. Het was mijn oude vriend. Wat deed hij daar? Was hij alweer vergeten wat hij hier kwam doen? Had ik hem dan toch nog overschat? Of was hij ook een stukje gaan lopen omdat het nog te vroeg was?

Ik besloot hem met rust te laten en liep terug naar het plein. Maar tijdens de plechtigheden kon ik het niet laten: ik bleef hem zoeken. Vergeefs. Ik liep terug naar de Muiderstraat. Weg. Ik was hem weg.