Salt Lake City

Organisatorisch zijn de Olympische Winterspelen in Salt Lake City rimpelloos verlopen. De veiligheidsmaatregelen waren immens. Dat was het gevolg van de aanslagen van 11 september. Deze verhoogde paraatheid heeft de sport niet wezenlijk gehinderd, de wedstrijden zijn volgens schema afgewikkeld. En het publiek heeft waar voor zijn dure geld gekregen. Vooral voor de Amerikanen waren de spelen meer dan een sportevenement. Ze waren ook een uitlaatklep voor patriottisme, dat dit jaar veel intenser werd beleefd dan bij eerdere Olympiades in de VS. Dat Salt Lake City de organisatie van de Spelen midden jaren negentig mede met behulp van smeergeld had binnengehaald, en daarmee een smet had geworpen op het toch al niet schone blazoen van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), speelde nu geen rol meer.

Ook voor de Nederlandse afvaardiging zijn de Spelen redelijk goed afgelopen. Het incident bij de openingsceremonie, waarvoor slechts met grote moeite een vlaggendrager was te vinden, is snel vergeten. De medaille-oogst is bovendien behoorlijk. Het record van vier jaar geleden in Nagano is niet geëvenaard, maar acht medailles is een goed resultaat. Toch geeft het schaatstoernooi te denken. Sinds Nagano is de schaatssport in hoog tempo gecommercialiseerd. Twee financiële instellingen hebben afgelopen jaren tientallen miljoen euro's in eigen ploegen gestoken, in de verwachting dat de rijk betaalde schaatsers dat in Salt Lake City met medailles zouden terugbetalen. Het is niet gebeurd. De drie gouden medailles werden gewonnen door een schaatser van de vaak bespotte kernploeg (Uytdehaage) en een sprinter uit het kleinste commerciële ploegje (Van Velde). De zilveren medaille op de 5.000 meter voor Gretha Smit, een marathonschaatster die uit het niets eerst de nationale concurrentie versloeg en zaterdag op één na alle mondiale concurrenten, completeerde het fiasco van het grote geld zaterdag. Dat de rijkste ploegen zich achter de oren moeten krabben, is geen ramp. Integendeel, dat maakt sport zo mooi en boeiend.

Politiek gezien is de erfenis van de Winterspelen problematischer. Vanaf het moment dat het IOC de jury bij het kunstrijden voor paren passeerde en achteraf twee gouden medailles uitreikte, was de beer los. Met name de Russische delegatie nam het initiatief bij de storm van protest die opstak. De motieven waren niet louter nobel. Het dreigement om de Spelen voortijdig te verlaten, leek mede ingegeven door onzekerheid. Rusland, eens oppermachtig, weet zich geen raad met zijn statusverlies.

Maar de Russen hadden niet helemaal ongelijk. De twee gouden medailles bij het ijsdansen waren een ongelukkig precedent. Het IOC wekte met deze beslissing de schijn dat het door de knieën was gegaan voor de publieke opinie, die op haar beurt was gemobiliseerd door het televisiestation dat de rechten had gekocht. De arbitrage bij ijshockey en shorttrack en de dopingcontrole vlak voor het langlaufen verdienden ook geen schoonheidsprijs. De drie `positieve' dopinggevallen op de slotdag wierpen ook een smet op de Spelen.

IOC-voorzitter Rogge heeft zichzelf zo in een lastig parket gemanoeuvreerd. Rogge werd een jaar geleden gekozen als opvolger van alleenheerser Samaranch om schoon schip te maken in eigen gelederen. Tijdens de eerste Spelen onder zijn leiding lijkt hij te zijn bezweken onder de externe druk die hij juist wil beteugelen. Rogge is de verliezer van Salt Lake City. Aan hem de taak om ervoor te zorgen dat de arbitrage bij de volgende Spelen onafhankelijk wordt en louter op de sport zelf gericht.