Nederlandse FBI

Het laatste waar de Nederlandse politie behoefte aan heeft, is een discussie over het bestel. Dat is inmiddels een rituele bezweringsformule van gezagsdragers, zodra het functioneren van de politie ter sprake komt. Er moet van alles veranderen – bij de criminaliteitsbestrijding is stilstand achteruitgang, nietwaar – maar de schrik van het begin van de jaren negentig zit er nog goed in. Toen maakte de politie een reuzenzwaai van een verbrokkeld stelsel met ruim 100 gemeentelijke politiekorpsen en 17 districten van de rijkspolitie, tot een regionaal bestel van 25 korpsen plus een Korps Landelijke Politie Diensten. Het betekende het einde van een bestuurlijke loopgravenoorlog die meer dan een eeuw had geduurd. Het was niet verwonderlijk dat de politie in de jaren van de grote omslag vooral met zichzelf bezig was.

Dat kunnen we natuurlijk niet al te vaak hebben, dus is het parool luid en duidelijk: voorlopig niet morrelen aan het zo moeizaam bevochten bestel. Er is echter een complicatie. De werkelijkheid trekt zich weinig aan van deze marsorder. Dat geldt niet in de laatste plaats voor de autoriteiten die hem hebben uitgevaardigd. Ondanks plechtige verzekeringen dat ,,de regio's de basis van de Nederlandse politieorganisatie blijven'', groeit er tegen de afspraken in een landelijke politie. Het jongste teken is de openlijke keuze van minister De Vries (Binnenlandse Zaken), zaterdag in deze krant, voor een landelijk opererende recherche onder direct gezag van het openbaar ministerie. De `Nederlandse FBI' die al zo lang een boemanfunctie vervult in de besteldiscussie, is daarmee goeddeels een feit.

De bewindsman kan moeilijk worden verweten dat dit uit de lucht komt vallen. Kernteams (de opvolgers van de in opspraak geraakte interregionale rechercheteams) vervullen in feite al landelijke functies, er zijn landelijke units voor mensensmokkel en synthetische drugs (xtc) en sinds kort ook `bovenregionale rechecheteams' voor zaken als kindermoord. Sinds 1995 is er zelfs al een formeel landelijk rechercheteam (LRT), al moet dat zich beperken tot gecompliceerde financiële en internationale onderzoeken. De landelijke recherche van minister De Vries lijkt alleen maar een hoognodige maatregel om een beetje lijn in deze wirwar te brengen – al past de vraag of het openbaar ministerie de daarvoor vereiste kwaliteit wel in huis heeft.

Toch gaat het wel degelijk om een principiële keuze, tussen een politie die dicht bij de mensen staat en een meer afstandelijk machtsapparaat. Dat laatste is wellicht handig voor Den Haag, maar heeft onvermijdelijk een prijs in de relatie tussen politie en burger. Tot dusver hebben wij in Nederland altijd gehecht aan een ,,moeizaam evenwicht''. Zo drukte de Amsterdamse hoofdcommissaris Kuiper het eind oktober uit. De Amsterdamse korpschef waarschuwde dat dit evenwicht onder druk staat. ,,Er is onmiskenbaar sprake van centralisatie.'' Ook de bekende politie-expert Fijnaut signaleert ,,een sluipende beheersmatige, infrastructurele en operationele eenmaking''. Als de regering echt geen besteldiscussie wenst, moet zij daarnaar handelen. Of zij moet man en paard noemen. De politie is te belangrijk voor achterdeurtjespolitiek.