Maak niet te veel kosten voor bolletjesslikker

Er komen meer cellen en minder schikkingen voor `bolletjesslikkers'. Maar vanuit kosten-batenoverwegingen lijkt heensturen het beste alternatief, menen Walter Kanning en Paul van der Weijden.

Minister Korthals van Justitie werd in de afgelopen periode gemangeld in een conflict tussen de Tweede Kamer enerzijds en het openbaar ministerie anderzijds. De Kamer eiste meer gevangeniscellen voor opgepakte drugskoeriers (bolletjesslikkers), terwijl het OM deze mensen juist heenzond en het OM leek de ene na de andere schikking te treffen, terwijl de Tweede Kamer vond, dat er veroordelingen hadden moeten plaatsvinden. De minister, al of niet op de hoogte gesteld door het OM, werd telkens ter verantwoording geroepen, en zijn positie wankelde. De minister gaf toe aan de wensen van de Kamer. Er komen meer cellen voor bolletjesslikkers en er zal in de toekomst minder worden geschikt.

Hieruit blijkt dat de Tweede Kamer geen oog heeft gehad voor de achtergronden van het beleid van het OM en is het beleid van het OM ernstig doorkruist. Er bestaat een wezenlijk verschil van mening tussen de Kamer en het OM over de taak van het strafrecht, die in de discussie tot nu toe onderbelicht is gebleven. De Tweede Kamer laat zich leiden door de traditionele taak van het strafrecht, namelijk het toekennen van straf met als oogmerk onder meer preventie. Daarentegen stoelt de opvatting van het OM meer op een moderne rechtseconomische analyse, waarin kosten-batenoverwegingen een belangrijke rol spelen.

Het heensturen van een bolletjesslikker, uiteraard zonder bolletjes in de maag, veroorzaakt weinig maatschappelijke kosten. Het gevangenzetten van een bolletjesslikker daarentegen gaat gepaard met aanzienlijk hogere kosten voor de maatschappij. De baten van het heensturen van de bolletjesslikker zijn gering te achten, en er is een kans, dat de slikker het opnieuw gaat proberen. De baten van het opsluiten in de gevangenis zijn zonder reclasseringsbegeleiding tijdens en na detentie eveneens gering te achten, maar ook als de kosten van reclasseringsbegeleiding worden gemaakt, is er nog steeds een kans, dat de slikker het opnieuw probeert. Vanuit kosten-batenoverwegingen lijkt heensturen het beste alternatief. Daar komt nog bij, dat dankzij betere opsporingstechnieken de pakkans van bolletjesslikkers is vergroot, waar een preventieve werking van uitgaat. De capaciteit van het OM is niet afgestemd op een groter aantal bolletjesslikkers die zij moet gaan vervolgen. Overigens is in de Kamer niet gepleit voor het vergroten van de capaciteit van het OM hiertoe. Bovendien is de straf voor de bolletjesslikker toch al groot bij het heenzenden, omdat de slikker voor hem of haar grote inkomsten misloopt door het niet kunnen afleveren van de bolletjes en wellicht grote sancties tegemoet kan zien van de organisatie waarvoor hij of zij heeft gewerkt. De winst voor de maatschappij is door het heenzendbeleid eveneens groot, omdat het OM hierdoor tijd wint, die voor belangrijker zaken kan worden aangewend.

Ook bij schikkingen spelen kosten-batenoverwegingen een belangrijke rol. Bij zijn verdediging van de bouwfraudeschikking verklaarde de minister, dat het bedrag van de schikking veel groter was dan ooit in een strafproces zou worden verkregen. Met andere woorden, het OM had kennelijk de kosten van een volledig strafproces en de daarbij te verwachten boeteopbrengst vergeleken met het schikkingsbedrag en was tot de conclusie gekomen, dat schikken per saldo meer zou opbrengen dan een duur proces. Ook hier vonden Tweede-Kamerleden, dat de fraudeurs hadden moeten worden gestraft.

Natuurlijk zullen kosten-batenoverwegingen nooit de enige grondslag kunnen vormen voor beslissingen in het kader van strafrechtelijke procedures. Echter, het geven van straf om de straf is ook geen zaligmakend uitgangspunt. In de rechtseconomische analyse van `criminal law' is de theorie van Nobelprijsdrager Gary Becker dominant. In deze theorie staat de vergoeding van de maatschappelijke schade centraal. Opgepakte bolletjesslikkers hebben de maatschappij nog geen schade berokkend. Dit vormt een extra argument om er niet te veel kosten voor te maken. De bouwfraude heeft de maatschappij wel schade berokkend. Op deze schade zou de boete moeten worden afgestemd. Als de rechter bij veroordeling in een strafproces ook de maatschappelijke schade als richtsnoer zou aanhouden, is het waarschijnlijk, dat boetes veel hoger uitvallen. Hierdoor wordt de afschrikkende werking ook vergroot. Bij het schikken in fraudezaken kunnen bovendien veel kosten die normaal op de maatschappij worden verhaald, worden bespaard. Een parlementaire discussie over de uitgangspunten van ons strafrecht is noodzakelijker dan de instelling van een parlementaire enquêtecommissie naar bouwfraude.

Walter Kanning is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

Paul van der Weijden is adjunct-secretaris rechtbank Dordrecht.