Echte naam

Wie over zichzelf denkt, denkt eigenlijk nooit aan zijn naam. Voor jezelf ben je niet Koen of Brechtje, zelfs nauwelijks `ik'. Er is iets dat denkt, en als je daarover moet schrijven of praten, dan noem je dat `ik'. Andere mensen noemen dat Koen, of Brechtje. Daarom lijkt een naam soms onbelangrijk, alleen maar een handig attribuut in het sociale verkeer wie eenzaam in het oerwoud of in het spreekwoordelijke hutje op de hei woont, heeft geen naam nodig. Misschien is het uit zulk soort overwegingen dat Elsa van Brabant, in Wagners Lohengrin, zo makkelijk en lichtvaardig ingaat op de voorwaarde die de heldhaftige onbekende ridder aan hun huwelijk stelt: ,,Beloof me dat je nooit naar mijn naam of afkomst zult vragen.'' Ja hoor, dat belooft ze graag. Ze wéét toch wie hij is. Hij is haar held. Maar hij insisteert: ,,Elsa, heb je wel goed gehoord wat ik je vroeg: beloof me dat je nooit naar mijn naam of afkomst zult vragen?'' Ja hoor, best. Geen probleem.

Het is natuurlijk een enorm probleem, dat voelt iedereen meteen al. Vanaf dat moment is de naam ineens de hele persoon, wie iemand ís, het feit dat hij bestaat. Houden van iemand zonder naam kan dat eigenlijk wel? Op den duur misschien, dan wordt de ander op dezelfde manier naamloos als je dat voor jezelf bent, je denkt aan hem of haar zonder naam of omschrijving, meer als een aanwezigheid. Maar in het begin is dat anders voor een verliefde staat juist de naam in een stralend licht, en is er weinig heerlijkers dan die te noemen. `Uw zoete naam'.

Het is wreed van iemand te vragen wat de zwaanridder van Elsa vraagt. Hij verbiedt haar daarmee in feite om hem te kennen. Lohengrin is de enige niet die niet wil dat men weet hoe hij heet. Repelsteeltje is er ook zo een die kan zelfs niet langer bestaan op het moment dat zijn naam uitgesproken wordt. Alsof zijn naam een erge ziekte is. En de joods-christelijke-islamitische God heeft ook geen naam, of een naam die geen naam is. `Ik ben die ik ben'. Zijn naam bestaat alleen maar uit vier letters, JHWH, die niet uitgesproken mogen worden. Te heilig. Hier raken vermoedelijk het heilige en het verschrikkelijke elkaar. Heel vreselijke namen en heel heilige kunnen beter verzwegen worden. Om niet op te roepen, om niet te zondigen, om niet toe te eigenen.

Wie iemands naam steelt of overneemt, neemt zijn identiteit over, en die omvat veel meer dan een naam. In de roman Amphitryon van de in eigen land onderscheiden Mexicaanse schrijver Ignacio Padilla, treedt een naam op, meer dan een personage. De naam is Thadeus Dreyer, en hij wordt door verschillende personages enige tijd gedragen. De eerste met die naam die we tegenkomen is een man die door een ander Jacobo Efrussi genoemd wordt, maar die niet meer op die oude naam wil reageren. Met zijn oude naam heeft hij een heel verleden afgelegd, een joods verleden, en daarmee een totale geschiedenis, misschien zelfs wel een lot. Hij doet dat al tijdens de Eerste Wereldoorlog vele joden zullen hem navolgen, zoals hij niet maar de lezer wel weet, en het zal ze vaak even weinig helpen. Efrussi heeft zijn naam niet weggedaan om aan mensen te ontsnappen, maar om aan zichzelf te ontsnappen, aan zijn verleden en herinneringen die allemaal verbonden zijn met zijn naam. Op die manier zullen in Amphitryon meer personages proberen aan zichzelf en hun lot te ontkomen en een andere bestemming voor zichzelf te creëren. Blijkbaar is het voor de hand liggend te voelen dat ook het lot en de levensloop besloten liggen in een naam.Misschien juist omdat de naam zoiets is als een koffer met het identiteitgevende verleden erin, ongeacht of dat verleden door de eigenaar van de naam herinnerd wordt of niet. Daarom willen waarschijnlijk ook naamlozen hun naam weer terugvinden, zoals de zogenaamde `onbekende kinderen' van een van de laatste transporten uit Westerbork, die met alleen een (onderduik-) voornaam, of zelfs helemaal zonder naam, naar Theresienstadt verdwenen, terugkwamen en niet wisten wie ze waren.

Het is wonderlijk zo veelbetekenend als een naam is, als het symbool van bekend en gekend zijn. Want het is ook maar allemaal schijn, alsof we zouden weten wie we zijn, alsof we anderen zouden kennen. Alsof onze namen ook maar iets onthullen. Dan ga je vanzelf denken aan zoiets als `een ware naam', wat dat dan ook mag betekenen.

In een verzameling filosofische gesprekken met kinderen, die Thecla Rondhuis verzamelde onder de titel Jong en wijs, hebben kinderen het over namen, en sommigen van hen geloven wel degelijk dat je die éne naam die je gekregen hebt ook bent, op een bijna mythische manier: ,,Jóúw echte naam past alleen bij jou.'' Maar een ander zegt: ,,Ik vind toch dat je niet zelf je naam bent, want er zijn bijvoorbeeld wel meer Bianca's.'' Ze komen er niet uit wie wel?

Een van de mooiste gedichten van Rutger Kopland (wat een idioot iets is om te zeggen bij een dergelijk oeuvre, maar vooruit) heet `Psalm' en het is geschreven bijna vanuit het standpunt van ná de dood (,,We hebben geademd en onze adem was/ als zuchten van bomen om een huis''). Het kijkt terug naar wie `wij' waren wat geluiden, adem, stemmen, nu voorbij of straks voorbij: ,,Dan zullen deze geluiden wind zijn,/ als ze opstijgen uit hun plek, dan/ zullen ze verwaaien, zijn ze wind.'' Het mooiste zou zijn om het hele gedicht te citeren en niet, zoals ik nu doe, in de verkeerde volgorde met regels aan te komen. Maar waar het om gaat, hier, zijn de laatste regels:

,,Omdat wij onze naam wilden vinden./ Maar alleen de wind weet de plek/ die wij waren, waar en wanneer.''

Ook hier weer die naam, als de uiteindelijke kern. Kende je je naam, dan wist je wie je was. `Noem mij bij mijn diepste naam' schreef Neeltje Maria Min. Maar wat is dat, een diepste naam. En wát als je erbij genoemd wordt.