Duits vervolg van Herzbergs joodse serie

Gustaf Gründgens. Een duivelskunstenaar, een geniale opportunist. Hij was bevriend met Emmy Göring en Joseph Goebbels en in het Derde Rijk maakte hij een grandioze carrière. Naar deze dubieuze theaterman is een plein vernoemd, een plein in Düsseldorf. En aan dat plein, bij het toneelgezelschap waar Gründgens zijn eerste successen behaalde, probeert de Duitse geschiedenis zich te rehabiliteren. Met de wereldpremière van een toneelstuk dat door een oorlogsslachtoffer werd geschreven.

Judith Herzberg, in 1934 in Amsterdam geboren, moest als kind onderduiken, bij vreemde mensen, gescheiden van haar ouders. Hoe het is om na de oorlog door te leven terwijl het grootste deel van je naasten is uitgemoord, daarover gingen haar drama's Leedvermaak en Rijgdraad en daarover gaat ook haar nieuwe theatertekst Simon. Bij elkaar vormen die drie stukken een soort joodse soap, met lief en leed binnen een clan die zo'n twintig jaar lang wordt gevolgd, van ongeveer 1980 tot aan het eind van de 20ste eeuw.

Leedvermaak ging in 1982 in première, Rijgdraad in 1995. Frans Weiss maakte dit jaar van Rijgdraad de film Qui Vive. Ook in Duitsland leerde men Lea, Nico, Simon, Ada, Dory, Hans en al hun wisselende relaties kennen – via de voorstellingen Leas Hochzeit en Heftgarn. Heftgarn staat al een jaar op het repertoire van het Düsseldorfer Schauspielhaus: er is dus een publiek voor dat bereid is naar het door Duitsers veroorzaakte leed van drie generaties joden te kijken. Simon, het tot dusver laatste deel van de serie, is in opdracht van het Düsseldorfse gezelschap vervaardigd. Herzberg vertaalde het uit het Nederlands, en haar assistent-vertaler Peter Hailer, die ook Heftgarn ensceneerde, voert de regie.

Het decor heeft de vorm van een ovalen fotolijst. In die lijst, een gekantelde medaillon, worden de figuren gevangen. Ze zijn verstard in groepstableaus en alleen vóór de lijst bewegen zij min of meer vrij. In een Amsterdams huis bevinden zij zich, dat eens van Simon is geweest. Nu heeft een jonger familielid het gekocht; Simons tijd is voorbij; de oude man ligt op sterven. Een Tsjechoviaanse sfeer van afscheid hangt over het gezelschap, maar Herzberg vult de weemoed aan met woede.

Want sterven is voor overlevenden van de holocaust niet zomaar sterven. Sterven is voor overlevenden van de holocaust een herinnering aan onuitsprekelijk geweld. Doden zonder graf komen nooit tot rust en de onbegravenen, zij die naamloos in de kampen stierven, spoken nog steeds in de hoofden van de nabestaanden rond, continu en allesoverheersend. Dus als Simon in coma ligt komen de trauma's los. Simons generatiegenoot Zwart treurt om zijn eerste vrouw: die werd vergast maar niemand weet precies wáár. Nico, een arts en Zwarts zoon, durft zijn vak niet meer uit te oefenen omdat hij doodsbang voor dood en ziekten is. Dory, Nico's vrouw, is bedroefd omdat Simon haar niet heeft kunnen vertellen of het kind dat zij van hem kreeg op haar vermoorde vader lijkt. En dat kind, Isaac, een knul van zeventien, is ontzettend kwaad: ,,Wij zijn/ ik weet niet wat wij zijn/ kopieën of zoiets /wij moeten iemand vervangen/ wij hoeven eigenlijk/ helemaal niet echt te zijn/ een foto zou ook al goed zijn/ of of of/ een vingerafdruk/ om te zien/ of die gelijkenis toont/ met een of ander lijk!''

In korte, stamelende zinnen proberen Herzbergs personages hun emoties te luchten en omdat dat nooit helemaal lukt, reageren zij zich nòg verbetener op de anderen af. Of ze leven zich op de verkeerde manier in, een specialiteit van Zwarts tweede vrouw Duifje, die uit onzekerheid steeds de pijnlijkste opmerkingen plaatst. Zo kwetst men elkaar, expres en niet-expres, en de enige die rust uitstraalt is de oude Simon. Ook vóór zijn coma – het stuk maakt sprongetjes in de tijd – laat hij zich niet aansteken door de nervositeit om hem heen: Simon is de beminnelijkheid zelve. Naar buiten toe. Zijn binnenleven ziet er anders uit. Vreselijke droombeelden doorkruisen zijn kunstige kalmte.

Zijn verwanten staan ineens in een lange rij tegen de muur, handen omhoog, gereed voor hun executie. Een sirene gaat en iedereen zoekt dekking. Moeilijk te zeggen waar de dromen ophouden en de realiteit begint of, omgekeerd, waar de werkelijkheid ophoudt en de dromen starten. Als het gezelschap na het handen-omhoog in lachen uitbarst, is dat dan echt of een stukje van Simons visioen?

Haast ongemerkt dringt Herzberg ons het perspectief van Simon op: een perspectief vertekend door koorts en een te sterke bril. Ook Hailer trekt ons de wereld binnen van een man met een oppermachtig verleden en ook hij zet daartoe subtiele middelen in. Zo onopvallend als droom en werkelijkheid in elkaar overvloeien, zo naadloos gaat de speelvloer over in de vloer van de schouwburgzaal. Soms lopen de acteurs die zaal in, waarna ze tegelijk met het wegebben van Simons fantasieën uit het zicht verdwijnen.

Deze dwangmatig handelende figuren lijken in niets op de personages zoals wij die van Rijgdraad en Qui Vive gewend zijn. In plaats van Kitty Courbois, Peter Oosthoek en Marjon Brandsma zien we acteurs die wij totaal niet kennen, acteurs als Anke Schubert (Lea), Peter Siegenthaler (Nico) en Heidi Ecks (Dory). Simon wordt gespeeld door Wolfgang Reinbacher: een kleine, corpulente man met een grote stem en een slanke mimiek. Een prachtrol is ook die van Duifje (Duits: Doifje). Petra Redinger geeft haar precies dat hulpeloze loopje dat zo'n vogeltje nodig heeft: het ene been geheven als in een gestolde huppel, het andere niet al te stevig op de grond en de armen om het lichaam geslagen, want niemand anders dan zijzelf voorziet haar van een beetje troost.

Eigenlijk zijn alle dertien spelers in dit conflictrijke dialoogstuk goed op dreef. Een hecht ensemble is hier aan het werk, bijeengehouden door een zichtbare liefde voor Herzbergs figuren en een diep inzicht in hun voor henzelf niet altijd duidelijke motieven. Veel vertolkers in Leedvermaak en Rijgdraad kwamen zelf uit joodse families. De acteurs in Simon horen gewoon bij het Düsseldorfse stadsgezelschap en hebben wellicht nooit eerder joden gespeeld. Juist dat vermoeden geeft aan de voorstelling een meerwaarde: deze slachtoffers zien er niet anders uit dan doorsnee-Duitsers en zeggen over joden dezelfde onhandige, domme en kwetsende dingen. Het publiek wordt een spiegel voorgehouden – een lachspiegel met realistische kwaliteiten. Geen gewetenloos-geniale Mephisto grijnst ons tegemoet maar een groep normale burgers, met als enige abnormaliteit het gegeven dat men te veel weet.

Voorstelling: Simon, door het Düsseldorfer Schauspielhaus. Tekst: Judith Herzberg. Regie: Peter Hailer. Gezien: 22/2 en 23/2 Kleines Haus Schauspielhaus Düsseldorf. Aldaar 26/2, 2/3 en 3/3 (Judith-Herzberg-dag) en later. Inl 00-49211369911 of www.duesseldorfer- schauspielhaus.de.