Zonder familie zou de lijst leeg zijn

Partijen hebben steeds meer moeite kandidaten te vinden. Onorthodoxe wervingsmethodes moeten soelaas bieden.

De leuze was simpel: ,,Wordt raadslid!'' Op verschillende abri's in Leiden viel enkele maanden geleden deze wervende tekst te lezen. Een foto van enkele vrolijk in de camera kijkende lieden, een internetadres erbij, vier speciale avonden voor geïnteresseerden en zie: 600 site-hits, 300 informatiepakketten en een kleine 15.000 euro verder is Leiden drie raadsleden rijker. De campagne werd georganiseerd door de gemeente. De partijen bemoeiden zich niet met de inhoud, maar begeleidden de geïnteresseerden wel: een bezoekje aan de raad en uitleg over de tijd die een gemiddeld raadslid kwijt is als volksvertegenwoordiger.

Geraldine Pieterse reageerde op de noodkreet van de Leidse politiek. Zij staat op nummer zeven van de GroenLinks-lijst. De fractie bezet nu zes zetels in de raad. Pieterse, actief bij de cliëntenraad sociale zaken en al jarenlang GroenLinks-stemmer: ,,Ik had me nooit gerealiseerd dat ze ook daadwerkelijk mensen zochten. Je denkt: dat is een gespreid bedje. Dat bleek dus anders te liggen.'' Ook Arend Jan Sleyster liet zich verleiden: hij staat nu op negen bij de VVD, een verkiesbare plaats.

Sleyster en Pietersen zijn uitzonderingen. Het vinden van geïnteresseerden is geen sinecure. Politieke partijen moeten steeds meer moeite doen om voldoende goede kandidaat-raadsleden te werven, zo bleek uit een enquête onder 750 raadsleden en wethouders in 75 gemeenten die wetenschappers van de Thorbeckeleerstoel van de Universiteit Leiden enkele maanden na de raadsverkiezingen in 1998 hield. De vorige gemeenteraadsverkiezingen leverden 10.156 raadsleden op: 7.788 mannen en 2.368 vrouwen. Volgens het weekblad Binnenlands Bestuur zegt 44 procent van de raadsleden dat het hun partij ,,veel of zelfs heel veel moeite heeft gekost'' om de kieslijst te vullen. Veertig procent van de raadsleden verklaart daarentegen dat het allemaal wel mee viel. GroenLinks en de SP hadden de meeste problemen. De lokale partijen en de kleine christelijke partijen hadden het relatief makkelijk.

De betrokkenheid van burgers bij de politiek zou op lokaal niveau idealiter maximaal moeten zijn. Iedereen die in zijn eigen stad of gemeente rondloopt ziet wel iets waar-ie het al dan niet mee eens is. Lokale ergenissen wegen vaak zwaarder dan de landelijke, abstractere trits zorg, onderwijs, veiligheid. Neem de rotzooi in de winkelstraat, dat leegstaande fabriekspand in de binnenstad, de hangjongeren die naast het bejaardenhuis hun opgevoerde brommertjes laten ronken en natuurlijk de hondenpoep.

Waarom dan toch die desinteresse, die zich niet alleen beperkt tot een tekort aan lokale volksvertegenwoordigers, maar ook zichtbaar is in de lage opkomstpercentages bij gemeenteraadsverkiezingen? Omdat het raadswerk `suf' is? Omdat de gemeenteraad `er ook niks aan kan doen'? Omdat de lokale politiek in niets verschilt van de landelijke, die er immers ook `een zooitje van maakt'? Bestuurskundige Rodney Weterings stelde vorig jaar in een artikel voor het Centrum voor Lokaal Bestuur dat de moeizame rekrutering van raadsleden uiteenlopende oorzaken heeft. Het heeft onder meer te maken met de nog steeds dalende ledentallen van politieke partijen. Van die leden is maar een klein deel ook actief, zo'n 10 procent. ,,Op lokaal niveau betekent dit, zo is ooit becijferd, dat voor de 29.000 functies die er te verdelen zijn, uit een bestand van ruim 31.000 mensen kan worden geput'', aldus Weterings. Maar ook het afnemende aanzien van het raadslidmaatschap speelt volgens hem een rol. Weterings: ,,Het tijdsbeslag, de als laag ervaren beloning en de afnemende sociale status van het ambt, zijn hierin de belangrijkste ingrediënten.''

Om toch een goed gevulde lijst te kunnen presenteren, bedienen partijen zich soms van opmerkelijke `trucs'. Zo lijkt D66 in Leiden eerder op een buurtvereniging dan op een stadspartij, gezien het feit dat de eerste drie op de lijst in de Franchimontstraat wonen. Ook komen partners, dochters, neven en nichten als `lijstvulling' regelmatig voor. Vaak komen die op onverkiesbare plaatsen, zodat de lijst wel vol oogt, maar feitelijk maar een handvol serieuze kandidaten telt.

Wat raadsleden bindt is dat ze, naar eigen zeggen, het algemeen belang graag dienen. Voor 70 procent is dat de belangrijkste overweging om op de kieslijst te willen. Een andere motivatie is het vergroten van de leefbaarheid in de gemeente. Ook opkomen voor de zwakkere scoort hoog: 41 procent.

Leefbaar Rotterdam-lijsttrekker Pim Fortuyn haalde zich onlangs de woede van de ruim 10.000 raadsleden op de hals door te suggereren dat het raadslidmaatschap slechts een dag werk per week vergt. Maar hij vergist zich. blijkt uit het onderzoek van 1998. Het gemiddelde raadslid besteedt achttien uur per week aan zijn werk in de gemeenteraad. Overigens heeft 68 procent van de raadsleden een beroep naast het raadslidmaatschap. Slechts een krappe meerderheid (52 procent) zegt dat hun raadswerk niet van invloed is op de carrière-perspectieven binnen hun baan. Anders gezegd: wie hart heeft voor de publieke zaak, zal dat vaak ten koste zien gaan van zijn portemonnee.

Om een einde te maken aan het steeds nijpender tekort aan kandidaat-gemeenteraadsleden mogen nieuwe kandidaten vanaf de huidige verkiezingen (tijdelijk) wonen buiten de gemeente waar ze zich verkiesbaar stellen. Ook de invoering van het dualisme op lokaal niveau moet een handje helpen: de raadsleden zouden minder tijd kwijt moeten zijn aan hun taak omdat enkele bevoegdheden worden overgedragen aan het college van burgemeester en wethouders. Maar ook partijen zelf kunnen actie ondenemen, zo betoogt onder meer PvdA-voorzitter Ruud Koole in een recente studie. Politieke partijen moeten gerichter appelleren aan de ambities van met name jongeren in de partij. Het rekruteringsprobleem is volgens Koole c.s. eerder een mobiliseringsprobleem.