Waar het gras het groenst is

Wageningse ecologen hebben berekend waar ter wereld de beste gebieden liggen voor planteneters. `Te veel regen is niet goed voor de klipspringer.'

Edelherten maken plaats voor aardappelen en zebra's voor melkkoeien. De natuurgebieden voor planteneters krimpen snel, zo schreef de Wageningse ecoloog dr. H. Olff afgelopen week in Nature. Nu al heeft de mens de helft van alle gebieden voor planteneters vernietigd. Ze zijn veranderd in landbouwgrond. En over 25 jaar is dat opgelopen tot 75 procent. Daardoor krijgen soorten als de Afrikaanse buffel, de steenbok, en de klipspringer (een antilope ter grootte van een geit) het steeds moeilijker. ``Rooskleurig is het niet'', zegt Olff desgevraagd. ``Grote, voor grazers geschikte gebieden in Argentinië, India en Oekraïne zijn al verstoord.'' Toch is er hoop, meent hij.

Samen met zijn collega's prof.dr. H. Prins en dr. M. Ritchie ontwikkelde Olff een theorie die de potentiële soortenrijkdom van herbivoren (planteneters) voor een gebied voorspelt. Aan de hand van de theorie tekenden de drie onderzoekers een `wereldkaart voor de herbivoren'. De kaart geeft aan welke gebieden de meeste soorten planteneters kunnen herbergen, de zogeheten hot spots. Het noorden van Spanje behoort ertoe, net als de pampa van Argentinië, de steppen van Mongolië en de kust van zowel Marokko als Algerije. ``Landen kunnen hun natuurbeleid aanpassen op basis van die kennis. Omdat ze ruimte vaak schaars is, kunnen nu de gebieden worden geselecteerd die in principe de meeste soorten herbivoren kunnen herbergen. Gebieden waar de soortenrijkdom minder blijkt te zijn, kunnen worden gebruikt voor industrie, landbouw of stadsuitbreiding'', zegt Olff, die vorige week een Pionier-subsidie kreeg toegekend van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). De subsidie bedraagt in totaal 1,8 miljoen euro en geldt voor vijf jaar.

Voor hun theorie gebruikten de drie onderzoekers bestaande meetgegevens van 33 natuurgebieden in Noord-Amerika en 85 gebieden in Afrika, waaronder het Kruger National Park en het Serengeti National Park. Ze verwerkten gegevens over regenval, bodemvruchtbaarheid en het aantal soorten herbivoren dat er leeft. Hun berekening wijst uit dat een middelmatige regenval en een hoge bodemvruchtbaarheid ideaal zijn voor een hoge soortenrijkdom. Te veel regen is niet gunstig, met name voor kleinere planteneters zoals geiten, reeën en konijnen. Olff heeft daar een eenvoudige verklaring voor. Als er veel regen valt groeien de planten weliswaar goed, maar ze nemen verhoudingsgewijs veel water en weinig nutriënten op. Kleine herbivoren hebben juist planten met veel nutriënten nodig, zegt Olff. Want bij kleine herbivoren, zoals de gems en de Thomson-gazelle, stroomt het voedsel snel door het spijsverteringskanaal. ``Er is weinig tijd voor de vertering,'' zegt de ecoloog. Als de planten dan weinig nutriënten bevatten, halen de dieren er te weinig uit. Voor grote planteneters zoals zebra's en olifanten maakt het niet zoveel uit. Het eten blijft veel langer in hun spijsverteringskanaal, zegt Olff, en de vertering duurt lang. ``Hun lichaam heeft alle tijd om nutriënten uit het voedsel te halen.''

Wombat

De drie ecologen testten hun theorie aan de hand van tien natuurgebieden in Australië. Ze voerden data in over regenval en bodemvruchtbaarheid. De computer vertelde vervolgens welke van de tien gebieden de meeste soorten planteneters herbergt. In dit geval ging het om kangoeroe's, walibi's en wombats. De voorspelling bleek te kloppen.

Olff hoopt dat de nieuwe theorie van nut zal zijn voor natuurbeheerders. Die houden volgens hem nog te weinig rekening met planteneters. ``Als ze praten over het behoud van biodiversiteit, gaat het meestal over planten en vogels. Daar zijn namelijk de meeste studies naar gedaan. Over insecten en herbivoren is minder bekend,'' zegt hij. Zo heeft de invloedrijke Britse ecoloog Norman Myers 25 grote regio's in de wereld aangewezen als hot spot van biodiversiteit; plaatsen waar veel soorten naast elkaar voorkomen. Maar ze overlappen amper met de hot spots voor herbivoren. ``De pech is bovendien dat geschikte gebieden voor herbivoren in principe ook goede landbouwgronden zijn,'' zegt Olff. Overheden geven over het algemeen de voorkeur aan landbouw. Maar dat kan veranderen, aldus Olff.

Zo verwacht Olff dat veehouders en graanboeren langzaam uit Noord-Amerika verdwijnen, omdat de kosten van bijvoorbeeld landbouwgrond en milieumaatregelen steeds hoger worden. De boeren verhuizen onder andere naar Argentinië. Weliswaar wordt daar de pampa in hoog tempo verstoord, maar in Noord-Amerika kunnen de landbouwgronden weer geschikt worden gemaakt voor wilde grazers. De Great Plains zijn namelijk een grote, potentiële hot spot voor herbivoren. Olff: ``Stel je voor dat op de uitgestrekte vlakten van North Dakota tot Nebraska weer kuddes bizons en gaffelbokken grazen. Zou dat niet fantastisch zijn?''