Verplichte scholing

De overheid heeft in het verleden de nascholing gebruikt als instrument om het onderwijs te sturen. Het paste in het gedachtegoed van de maakbare samenleving. Het is dus niet zo verwonderlijk dat dit instrument ten tijde van Van Kemenade groeide en bloeide. Maar ook daarna hield het ministerie de nascholingstouwtjes stevig in handen. Zoetermeer wist wat goed was voor de leraren, en de lerarenopleidingen en pedagogische centra ontwikkelden, conform de departementale wensen, het scholingsaanbod. Met als resultaat cursussen waar de weinige belangstellenden verbijsterd luisterden naar peda- en psychologen die over de betreffende onderwerpen minder wisten dan de gemiddelde leraar.

Als u zich erover verbaast dat juist in die sector waar mensen van onderwijzen hun beroep hebben gemaakt, een aversie bestaat tegen scholing, dan weet u nu dus waar die weerstand vandaan komt. Ook nu nog wordt de inhoud van de nascholing voor leraren veelal van bovenaf geregeld; zij het inmiddels vooral door de onderwijsinstellingen zelf. Wat is daarop tegen?

Als in een advocatenkantoor een van de medewerkers de wens uitspreekt meer fiscale zaken te gaan doen, impliceert dat vanzelfsprekend de wil om zich in die richting verder te ontwikkelen. Ook is duidelijk dat je een dergelijke specialisatie nooit kunt opleggen. Die moet aansluiten bij interesse en affiniteit. De wens van de medewerker om zich richting fiscale zaken te ontwikkelen zal vanzelfsprekend in overeenstemming zijn met de behoeften van het kantoor. Hoe betrokkene die deskundigheid denkt te verwerven is in eerste instantie zijn zaak. Zo nu en dan meelopen met een gespecialiseerde collega, bepaalde colleges volgen aan de universiteit, of gewoon thuis studeren, de keuze hangt af van de mogelijkheden die er zijn en van de vraag waar iemand de voorkeur aan geeft. De een leert liever en beter uit een boek, een ander door te kijken, erover te praten en mee te doen.

In het onderwijs nu zie je dat scholen de inhoud van de nascholing veelal laten bepalen door een of andere instelling die daarvoor wordt ingehuurd. Geen enkele professionele organisatie zal ooit zoiets doen. Hooguit een studiedag over een thema dat voor iedereen interessant of belangwekkend is.

Dat leraren wat hun scholingsbehoeften betreft nog steeds niet serieus worden genomen blijkt uit de herhaalde pogingen van de overheid om het begrip scholing te formaliseren. Dat betekent namelijk automatisch een beperking van de mogelijkheden, omdat je dan formeel moet vastleggen wat wel en wat niet geldt als erkende scholing. Die behoefte aan formele erkenning hangt weer samen met de gedetailleerde bemoeizucht van de overheid die scholing wil hanteren als criterium voor extra beloning. Als je vindt dat een leraar een professionele medewerker is dan ga je hem toch niet extra betalen omdat hij doet wat daarbij hoort: zichzelf blijven ontwikkelen? Overigens verbaast het me dat je in dit soort zaken zo weinig de stem hoort van de leraren zelf. Een stem in de geest van: minister waar bemoeit u zich mee, dit soort zaken regelen wij als school, sectie, afdeling, in onderling overleg met alle betrokkenen zelf. Een zelfbewuste reactie dus. Die mis ik.

Maar gelukkig valt er ook iets heel feestelijks te vermelden, in verband waarmee mijn gelukwensen uitgaan naar minister Hermans. Al jaren spant hij zich tevergeefs in om meer particulier geld voor het onderwijs te verwerven. Na talloze mislukkingen bezorgen de islamitische scholen hem nu eindelijk een eerste succes. Hermans, kerel, proficiat.

prick@nrc.nl