Van fiscus hoeft niemand te trouwen

Op 1 april aanstaande moet uw aangifte nieuwe stijl bij de belastingdienst binnen zijn. In een korte serie aandacht voor de belangrijkste wijzigingen. Deel 2: het nieuwe partnerbegrip.

De mooiste dag van hun leven. Zo kijken veel mensen terug op hun huwelijksdag. Maar het interesseert de fiscus sinds 2001 niet meer of u nu wel of niet bent getrouwd - als u maar samenwoont. Gehuwden en ongehuwden worden in het nieuwe belastingstelsel zoveel mogelijk gelijk behandeld. Daarom is het partnerbegrip geïntroduceerd. Gehuwden en mensen die een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan zijn automatisch elkaars partner. Ongehuwd samenwonenden die hun relatie niet hebben laten registreren, hebben een keuze. Als ze beiden meerderjarig zijn en meer dan zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren, kunnen ze voor het partnerschap kiezen. In de periode van zes maanden moeten ze bij de gemeente op hetzelfde adres staan ingeschreven. Ongehuwden kunnen zo elk jaar opnieuw voor het partnerschap kiezen. De keuzemogelijkheid wordt gedaan bij de aangifte of op een eerder ingediend verzoek om voorlopige teruggaaf. Een in de aangifte gemaakte keuze is definitief.

Wat zijn de gevolgen van het partnerschap voor het aangiftebiljet? Het uitgangspunt is dat elk van de partners wordt belast voor de eigen inkomsten. Ook de eigen aftrekposten komen bij de partner zelf in aftrek. Een voorbeeld hiervan is de betaalde premie voor een lijfrenteverzekering. Bepaalde inkomsten en uitgaven mogen partners echter onderling vrij verdelen. Het gaat om de volgende posten: de bijtelling of aftrekpost van de eigen woning; uitgaven voor kinderopvang; aftrekposten als ziektekosten en giften; bepaalde bezittingen en schulden als spaargeld en beleggingen.

Bij uw aangifte inkomstenbelasting moet u goed op een juiste verdeling van deze posten letten. Dit kan een aanzienlijk belastingvoordeel opleveren.

Elke verdeling is toegestaan als er in totaal maar honderd procent van elke post wordt aangegeven. De verdeling mag bij elke post anders zijn. Bij de eigen woning gaat het echter om het saldo van de bijtelling en aftrekposten. U kunt dus niet de bijtelling aan de ene partner en de hypotheekrente aan de andere partner toerekenen.

Door een goede verdeling kunt u optimaal profiteren van verschillen in belastingtarieven. U rekent de aftrekposten toe aan de partner van wie de overige inkomsten in de hoogste schijf worden belast. De inkomsten rekent u aan de andere partner toe. Een voorbeeld.

Arnold en Bea wonen ongehuwd samen. Arnold werkt als financieel manager en verdient € 75.000 per jaar, waarover hij voor een deel 52% belasting betaalt. Bea is marketingmedewerkster waarmee zij € 20.000 per jaar verdient. Bea betaalt maximaal 37,85% belasting. Samen hebben ze een eigen huis waarvoor zij een hypotheek aangingen. Jaarlijkse betalen ze € 12.000 hypotheekrente. De bijtelling (eigenwoningforfait) voor het eigen huis is € 2.000 per jaar. De inkomsten uit het spaargeld zijn na aftrek van een vrijstelling van € 35.200 belast met een vast percentage van 1,2 procent. Bij een spaargeld van € 50.000 betalen Arnold en Bea hierover dus € 177 (1,2 procent van 50.000 min 35.200).

Arnold en Bea willen profiteren van het tariefsverschil tussen 37,85% en 52%. Daarom kiezen ze bij hun aangifte inkomstenbelasting voor het partnerschap. De aftrekpost in verband met het eigen huis van € 10.000 (€12.000 hypootheekrente min €2.000 bijtelling) rekenen ze toe aan Arnold die hierover 52% belasting terug krijgt. Het spaargeld wordt toegerekend aan Bea. Zij hoeft hierover geen belasting te betalen omdat bedragen beneden de € 196 niet betaald hoeven te worden.

Als Arnold en Bea niet voor het partnerschap zouden kiezen, moeten ze de inkomsten en aftrekposten verdelen naar verhouding van ieders aandeel. Er wordt dan gekeken in hoeverre ieder tot de woning gerechtigd is en naar ieders aandeel in de hypotheekschuld. Ook wordt ieder belast voor het eigen spaargeld.Als Arnold en Bea meer geld op hun spaarrekening hebben staan, is het overigens verstandig weer een deel aan Arnold toe te rekenen.

Als de ene partner ouder en de andere partner jonger dan 65 jaar is, is er ook sprake van een groot tariefsverschil. Een 65-plusser betaalt over de eerste € 27.009 inkomen namelijk maximaal 19,7% belasting. Daarboven is het tarief minimaal 42%. De partner jonger dan 65 jaar betaalt over de eerste € 27.000 maximaal 37,6%. Stel nu dat de 65-plusser een inkomen heeft van € 40.000 gulden en de partner jonger dan 65 jaar een inkomen van €25.000. Dan is het verstandig om bijvoorbeeld een aftrekpost van €20.000 op te delen en eerst in mindering te brengen op het inkomen van de 65 plusser, die heeft immers het hoogste tarief. Maar als de grens van € 27.000 is bereikt - dus na €13.000 (40.000 min 27.000) is het slim om de rest bij de jongere partner in mindering te brengen, die in dat geval een hoger tarief heeft.

Kortom, het partnerschap geeft de partners veel meer vrijheid om belastingvoordeel te behalen. Getrouwd of niet - partners kunnen kiezen voor de fiscaal meest gunstige oplossing.

Deze rubriek wordt verzorgd door Kluwer Fiscale en Financiële Uitgevers. Eerdere afleveringen staan op: www.nrc.nl/geld/geldtelt