Transgeen China

President Bush liep er op eieren, maar het Amerikaanse biotech-bedrijf Monsanto heeft in China stevig voet aan de grond. Nergens buiten de VS groeit plantenbiotechnologie sneller.

Biotechnologie is ook in China onderwerp van debat, al onttrekt dat debat zich vrijwel geheel aan de openbaarheid. De officiële media noemen het onderwerp nauwelijks, en de gemiddelde Chinees houdt zich meer bezig met hoe hij zich zo goedkoop mogelijk kan voeden dan met wat hij nu precies eet. Het debat over de voor- en nadelen van biotechnologie vindt plaats tussen verschillende wetenschappers en overheidsinstanties, niet tussen consument en producent.

``We hebben hier geen milieu-organisaties als Greenpeace, en de overheid censureert de media. Dat heeft een groot voordeel: de discussie vindt hier plaats op wetenschappelijke, en niet op emotionele gronden'', aldus professor Huang Jikun.

Professor Huang staat aan het hoofd van het Chinese Centrum voor Landbouwbeleid, dat valt onder de gerenommeerde Chinese Academie voor Wetenschappen. Zijn instituut is gevestigd aan de rand van Peking in een gebouw in Russische stijl, dat binnenkort misschien moet wijken voor het Olympisch Dorp voor de spelen van 2008. Op de benedenverdieping zit de bibliotheek, met aan de muur een groot plakkaat over wat de communistische partij en de biotechnologie allemaal voor elkaar kunnen betekenen. Ook hangt er een inschrijfformulier voor een post-doctorale opleiding biotechnologie aan het Max Planck-instituut in Dresden. De hal staat vol met dozen: iedere werknemer kan er een grote fles pinda-olie (niet genetisch gemodificeerd) komen ophalen: het is het traditionele nieuwjaarsgeschenk van het instituut aan al haar werknemers.

Professor Huang deelt zijn kamer met een aantal wetenschappelijke assistenten die aan het zicht zijn onttrokken door houten tussenschotten. In de boekenkast op de gang staan veel van zijn internationale publicaties tentoongesteld.

Samen met twee collega's publiceerde professor Huang onlangs een artikel in Science (25 januari) over de stand van zaken op het gebied van biotechnologie in China. Daarin staat een lijst van zestien landbouwgewassen die sinds 1999 in genetisch gemodificeerde vorm in China beschikbaar zijn, al zijn er daarvan pas vier vrijgegeven voor commercieel gebruik.

Professor Huang vertelt dat van de lijst van zestien transgene gewassen alleen katoen op grote schaal wordt verbouwd. Tomaten, paprika's en petunia's zijn weliswaar ook vrijgegeven voor commerciële teelt, maar ze worden alleen op zeer beperkte schaal gekweekt. Dat komt omdat de transgene varianten weinig economisch voordeel opleveren en omdat het in twee gevallen om voedselgewassen gaat: daar is China veel voorzichtiger mee dan met katoen. De gewassen worden eerst langdurig in laboratoria getest alvorens ze worden vrijgegeven, aldus Huang.

Is men ook voorzichtiger omdat de (Chinese) consumenten geen gen-voedsel willen eten? ``Daarnaar is nooit structureel onderzoek gedaan, maar toen ik aan boeren vroeg of ze de katoenzaadolie van hun transgene katoen zouden gebruiken als bakolie, zeiden de meesten dat ze die liever hadden dan gewone katoenzaadolie. Ze wisten namelijk dat er bij de verbouw van transgene katoen veel minder met pesticiden was gespoten.''

Katoensnuitkever

Maar liefst een derde van alle katoen die momenteel in China wordt verbouwd, is inmiddels transgeen. De verspreiding is zeer snel gegaan: pas in 1997 kwam er transgeen katoenzaad op de markt. Het gaat daarbij om zeker vier verschillende variëteiten van Bt-katoen. In deze katoen is het zogeheten pesticide-gen van de bacterie Bacillus thuringiensis ingebouwd. Daardoor kunnen de transgene katoenplanten een gifstof afscheiden die de katoen oneetbaar maakt voor de katoensnuitkever, een insect dat anders de katoenplant aanvreet. Bestrijding van de katoensnuitkever in gewone katoen vraagt veel landbouwgif, de Bt-katoen hoeft veel minder vaak bespoten te worden. De boeren hebben daardoor niet alleen minder last van de schadelijke effecten van het landbouwgif op hun eigen gezondheid, maar ook de productiekosten liggen beduidend lager. Ze verdienen daardoor meer aan de katoen, die door de Chinese staat voor een vaste prijs wordt ingekocht. Sommige variëteiten van Bt-katoen zijn in Amerika ontwikkeld en worden op de markt gebracht door de firma Monsanto. Monsanto heeft daarvoor een samenwerkingsverband gesloten met een plaatselijke Chinese zaadproducent, want het bedrijf mag niet rechtstreeks en onafhankelijk op de Chinese markt werken. De boeren hebben het recht om het zaad voor eigen gebruik te vermeerderen.

De andere Bt-soorten zijn in China zelf ontwikkeld door het Instituut voor Biotechnologisch Onderzoek in Peking, dat valt onder de Chinese Academie voor Landbouwwetenschappen. Daar werkt mevrouw Wang Qinfang, assistent-professor aan het Instituut voor Biotechnologisch Onderzoek en co-auteur van het artikel in Science. Ze heeft nauwelijks tijd voor een gesprek en kijkt voortdurend op haar horloge: straks moet ze een powerpoint-presentatie geven over de nieuwste onderzoeksresultaten van haar instituut. Dergelijke presentaties zijn belangrijk, want het instituut moet zijn biotechnologische vindingen zelf aan de man weten te brengen. Het heeft daartoe het commerciële bedrijf Biocentury Transgene opgezet, met als partner ook het ministerie van Wetenschap en Technologie. Dat ministerie stippelt samen met het ministerie voor Landbouw ook het beleid op het gebied van biotechnologie uit. Door haar deelname in Biocentury is het ministerie van Wetenschap en Technologie dus zowel beleidsbepaler als commercieel belanghebbende in de promotie van biotechnologie geworden. Biocentury Transgene is onder meer verantwoordelijk voor de marketing en verkoop van de Chinese Bt-varianten.

In het laboratorium van mevrouw Wang hangt een grote foto van China's premier Zhu Rongji die een bezoek brengt aan proefvelden met Bt-katoen. Dat was in de tijd dat de overheid zich nog krachtig opstelde achter het onderzoek naar transgene gewassen. ``In de tweede helft van 2000 vond er een omslag plaats. Tot die tijd wilde de overheid het gebruik van biotechnologie zo veel mogelijk stimuleren, inmiddels zijn ze voorzichtiger geworden'', zegt Huang.

Die toegenomen voorzichtigheid blijkt onder meer uit nieuwe voorschriften op het gebied van veiligheid, etikettering en import van transgene producten die eind maart van kracht worden. Dat alles gebeurt vanuit de overheidsopvatting dat biotechnologie in principe wenselijk is, maar dat er wel voorzichtig mee moet worden omgesprongen. ``Het zal heel moeilijk zijn om al die regels ook werkelijk te implementeren. Er is in China nog helemaal geen systeem dat een goed toezicht op provinciaal niveau mogelijk maakt, laat staan op regionaal en plaatselijk niveau. De controlerende organen zijn er niet, en er zijn ook geen faciliteiten voor aparte opslag, vervoer en verwerking van transgene gewassen'', aldus Huang.

Vindt Huang de toegenomen voorzichtigheid bij de overheid begrijpelijk? ``Met de veiligheid van gen-voedsel voor de consument zit het wel goed, dat wordt uitgebreid getest voor een gewas op de markt komt'', zegt Huang. Volgens hem is de overheid vooral bang dat Chinese landbouwproducten geweigerd worden door het buitenland als er geen strenge wetgeving is op het gebied van transgene gewassen. ``Maar dat speelt alleen een rol bij de export van tuinbouwgewassen naar het Westen. Zo zijn we gestopt met de verbouw van transgene tabak, omdat buitenlandse importeurs die tabak niet wilden. Ik zie het gebruik van transgene katoen, rijst en maïs vooral als een methode om minder afhankelijk te worden van buitenlandse import en om de inkomsten van arme boeren te verhogen.''

Meeropbrengst

Met de Bt-katoen is China in die opzet geslaagd: de boeren kunnen zo'n twintig procent goedkoper produceren, en de meeropbrengsten komen voor meer dan tachtig procent ten goede aan de boeren zelf. Huang: ``Als over een paar jaar ook transgene rijst en oliehoudende gewassen beschikbaar komen voor commerciële verbouw, dan kunnen de inkomsten van de boeren verder worden verhoogd en dan worden we als land minder afhankelijk van import. Hopelijk kunnen we die technologie dan ook exporteren naar India en andere landen in Zuidoost-Azië die veel rijst verbouwen.''