Nederland gooit privacy te grabbel

Stel, u bent dictator in een middelgroot Balkanland, en u wilt nu wel eens precies weten welke lastpakken zich tijdens demonstraties tegen uw bewind opruiend en agressief gedragen. Dan heeft TNO exact de software die u zoekt.

Het onderzoeksinstituut presenteerde zijn `automatische agressie detector video software' tijdens een congres in 2000, en illustreerde die, tot lichte verrassing van de congresgangers, aan de hand van videobeelden van de opstand tegen Milosevic die een week eerder in Belgrado had plaatsgehad. Vorige week vrijdag had het bedrijf de dubieuze eer om voor deze techniek een van de vier Nederlandse Big Brother Awards in ontvangst te mogen nemen.

De Big Brother Awards, prijzen voor bedrijven, overheden of personen die de privacy van de burger het meeste hebben geschaad, worden in het buitenland al sinds 1998 uitgereikt, onder andere in Groot-Brittannië, Duitsland en de VS. Vrijdag overhandigde dus een Nederlandse jury, bestaande uit onderzoeksjournalisten, hoogleraren, advocaten en ICT-experts, in De Balie te Amsterdam de prijs voor het eerst aan vier Nederlandse boosdoeners.

Ik vat het maar even voor u samen, want er hebben in de landelijke dagbladen geen berichten gestaan over de prijsuitreiking. Niet één. Niet alleen interesseren de meeste Nederlanders zich nauwelijks voor privacy-kwesties – privacy, of het gebrek eraan, voel je doorgaans niet direct in je portemonnee – maar ook is de schending ervan vaak onzichtbaar voor de gewone burger. Wist u dat Big Brother Award-winnaar Monique de Vries (staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat) een moeizaam compromis over Europese privacyregels heeft opengebroken, omdat die regels te streng zouden zijn in het licht van de terrorismebestrijding?

In feite interesseren Nederlanders zich zó weinig voor hun privacy, dat als u tot hier bent gekomen in dit stukje, dat waarschijnlijk betekent dat u ook een van die dertig mensen was in het halflege zaaltje van De Balie. Onterecht, waarschuwde de Britse journalist en onderzoeker Simon Davies, initiatiefnemer van de Big Brother Awards. Want, vertelde hij, van alle landen waar hij de prijs heeft helpen organiseren, heeft hij nergens zo'n schaamteloos manipulatieve, cynische houding tegenover privacy aangetroffen als in Nederland.

Wat wil je ook, van het land dat de wereld het televisieprogramma Big Brother schonk! Het land dat collectief een bonuskaart aan de sleutelbos heeft hangen, waarmee voor een paar dubbeltjes `voordeel' veel kostbaardere gegevens over koopgedrag worden doorgeven aan de grootgrutter. George Orwell bleek nog te idealistisch in 1984: hij dacht nog dat er tenminste grootschalige terreur voor nodig zou zijn om burgers hun privacy te doen opgeven. Maar in Nederland vinden de meeste mensen het doodgewoon dat ze, wanneer ze een nieuw mobiel telefoonabonnement nemen, verplicht worden te vertellen of ze een huurhuis of een koopwoning hebben, of ze fulltime werken, zo ja waar, en hoe lang al. De meeste mensen vinden het doodgewoon dat ze dan, met het tekenen van het contract, het telecombedrijf expliciet toestemming geven om deze informatie, plus verkeersgegevens, door te verkopen aan derden. Of tenminste, dat probeerde een zwaar geïrriteerde verkoopster in een Libertel-winkel mij laatst uit te leggen.

Toch is het merkwaardig, deze verregaande achteloosheid waar het de eigen privacy betreft. De enige verklaring die ik kan bedenken voor dit aan goedgelovigheid grenzende vertrouwen in de goede bedoelingen van overheid en bedrijfsleven is ons Postbus 51-gevoel: de overtuiging dat het hier toch maar goed geregeld is allemaal. Wíj hebben geen Enron, ónze premier is niet verwikkeld in een omkoopschandaal. Goed, af en toe zijn er wat incidenten, het OM is wat al te vlot bereid tot schikken, de politie wat al te vlijtig bij het afnemen van schuldbekentenissen, en dan is daar nog dat mislukte fotorolletje, maar in vergelijking met de ons omringende landen mag het geen naam hebben. Nederland Deugt, lijkt de consensus, en dat willen we graag zo houden.

Misschien heeft het ook wel te maken met een langgekoesterde traditie van openheid. Het Big Brother-huis is zo bezien niet meer dan een karikaturale uitvergroting van de traditionele Hollandse doorzonwoning waarvan de gordijnen altijd open zijn. Generaties Hollandse huisvrouwen hingen de was buiten in het volle zicht van de buurt, om vooral te kunnen laten zien dat die was nóg smettelozer oogde dan de was van de buren. Wie zich niet laat zien heeft iets te verbergen, of niet soms? Wie klaagt dat er voor Het Huwelijk (genomineerd voor de Awards in de categorie `overheid') 50.000 mensen werden `gescreend' zonder dat ze daarvan op de hoogte werden gesteld, is een zeurpiet en bederver van de feestvreugde.

Op de dag dat de Big Brother Awards werden uitgereikt, keurde het kabinet een voorstel goed om DNA-profielen op te slaan van álle veroordeelden van een gewelds- of zedenmisdrijf. Dat geldt met terugwerkende kracht ook voor mensen die nu al vastzitten. Het nieuws was goed voor een bericht in de kranten van zaterdag; over principiële bezwaren heb ik sindsdien niemand gehoord. Dat voorspelt weinig goeds voor de plannen van de commissie-Mevis, Big Brother-winnaar in de categorie `voorstellen' en wat mij betreft de overall winner van dit jaar. De commissie, onder voorzitterschap van de Rotterdamse hoogleraar strafrecht Mevis, wil een algemene inlichtingenplicht invoeren voor bedrijven als banken, verzekeraars en telecomaanbieders om gegevens over klanten af te staan aan politie en justitie, en om die gegevens te selecteren, analyseren, en eventueel ook bij te houden in de toekomst.

Waarom is dit eigenlijk erg? Vooral sinds 11 september heerst er veel begrip bij het publiek voor opsporingsdiensten van de overheid. Wie wil er niet een deel van zijn privacy opgeven als daar meer veiligheid tegenover staat? Tegenstanders kunnen slechts komen met vage abstracties als `in strijd met maatschappelijke beginselen van vertrouwelijkheid', of `de fundamentele uitgangspunten van onze strafrechtpleging'. Ja, de Geestelijke Gezondheidszorg Nederland die de etniciteit van patiënten al jaren centraal blijkt te registreren, dat vinden we wel een beetje eng. Maar doorgaans is privacy een te abstract begrip, en de aantasting ervan te onzichtbaar voor de slachtoffers, om de gemoederen echt in beweging te kunnen brengen.

Het is daarom een voortreffelijk idee om hier elk jaar met de Big Brother Awards wél iets van zichtbaar te maken. En als we ons daar vervolgens met z'n allen niets van aantrekken, tja, dat bewijst alleen maar dat ieder land de privacywetgeving krijgt die het verdient.

www.bigbrotherawards.nl