Mussolini

Er zijn twee courante manieren om verkeerde vergelijkingen te maken: de aardrijkskundige en de historische. Een paar voorbeelden. Naast het Amstel Station in Amsterdam staan een paar hoge gebouwen. Dat is het Manhattan aan de Amstel. Nee. Je moet zeggen: Manhattan is de Amstelbuurt aan de Hudson. Soms staat in Nederland een politicus op die gevaarlijk goed uit zijn woorden kan komen. We noemen hem voor de gelegenheid Jan. In de krant lezen we dat Jan de Mussolini van het poldermodel is. Draai het om. Dan zie je vanzelf dat het onzin is.

In de Volkskrant (20 februari) staat er een mooi stukje over, geschreven door Frank A.M. van den Heuvel, jurist. Je kunt je bezwaren hebben tegen kardinaal Simonis, maar hij is niet de leider van de roomse Talibaan in Nederland. De ramp in Enschede is vreselijk, maar het is geen Rotterdam 14 mei 1940 of de verwoesting van Grozny. Jorg Haider zal niet iemand zijn naast wie je graag in de tram wilt zitten, maar hij is geen Hitler. Het kan hier wemelen van mensen die op het eerste gezicht een beetje aan mini-Mussolini's doen denken, maar schrijf het niet op, want je maakt een vergissing.

Waarom wordt dat dan zo vaak gedaan? Deze vraag stelt Van den Heuvel niet. Ik probeer een antwoord. Ik denk dat we in deze tijd worden geleid door de voortdurend sluimerende angst dat we niet au sérieux worden genomen. Om dat gevaar te bedwingen, denkbeeldig of niet, trekken we bij voorbaat alles uit de kast. Stelt u zich dit even voor: alles uit de kast trekken. Op zichzelf al flauwekul in het genre van `hou me vast of ik bega een ongeluk'. Het ultieme ongeluk. Daar moet ik keihard tegen vechten. Iedere dag weer die vreselijke worsteling. Daar raak ik ontzettend geëmotioneerd van, hoor!

Wie was Mussolini? De Duce, de leider van Italië, dat weten we allemaal. Eigenlijk zou er weer eens een filmpje van hem vertoond moeten worden. Uit oude journaals bewaar ik in mijn geheugen twee fragmenten. Op het eerste zien we hem bezig, hij helpt de boeren met het hooien en dorsen. Het is in de vóór-machinale tijd. Daar staat de al vrij dikke leider, half naakt, eerst met een hooivork. Hij prikt er een bovenmenselijk grote dot hooi aan, smijt het product in de hooikar, grijpt de dorsvlegel en slaat erop los.

Op het andere filmpje staat hij op een balkon, hoog boven een plein. Hij is aan het einde van een toespraak. Het volk juicht, weet niet van ophouden. Het is, zouden we nu zeggen, een ontzettend ultiem juichen. Voor de Duce is het goddelijke muziek. Hij kijkt van links naar rechts, van rechts naar links, heen en weer, en heen en weer, het houdt niet op. Hij knikt. Niet naar het volk maar in de trance van zijn zelfbevestiging. Bij iedere knik zwelt de band van zijn onderkin. De demagoog heeft zijn werk gedaan, de ijdeltuit incasseert de beloning. Het is een psychiatrisch schouwspel. Beter wordt het nog als je het geluid uitschakelt. Als we zoiets op de Dam of op het Malieveld zouden zien, zou ik me ongerust gaan maken. En in het algemeen geldt voor demagogen, dat je ze beter leert kennen als je ze ziet op een stomme film in slowmotion. Ik begrijp niet dat geen propaganda-afdeling van welke partij ook niet op het idee is gekomen om de gevaarlijkste tegenstander op deze manier te laten zien.

Ja, wie was Mussolini? Toen dachten de mensen er anders over dan nu. Hij is geboren in Romagna, `waarvan de bevolking van oudsher bekend staat wegens haar hartstochtelijk temperament en omdat zij een eenmaal op zich genomen taak tot het uiterste doorvoert', lezen we in de Grote Winkler Prins, vijfde druk, 1935. `In zijn wil is Mussolini de kunstenaar die streeft naar het vormen van het nieuwe Italië. Al zijn woorden en daden worden doortrild van zijn zelfbewusten wil; elk zijner woorden is een daad; zij gaan recht op het doel af, zijn nimmer ouderwetsch rhetorisch, altijd sober, steeds van een groote werking. In zijn wil tot macht ligt de synthese van dezen veelzijdigen mensch besloten.'

Mussolini krijgt van de Winkler Prins anderhalve pagina. Hij wordt vooraf gegaan door ir. Anton Mussert die het met 23 regels moet doen. Die karige bedeling zal te maken hebben gehad met het ambtenarenverbod, de maatregel van Hendrik Colijn. Een ambtenaar mocht geen lid van de NSB zijn. Mussert was ingenieur bij Rijkswaterstaat geweest, had ontslag genomen `om zich tot de leiding zijner partij te bepalen'. Bij de Statenverkiezingen van 1935 kreeg hij bijna acht procent van de stemmen. Dat was de grote nationale schrik. Dat was toen geen wonder, want aan de andere kant van de grens maakte een volk van tachtig miljoen zich op om de wereld mores te leren volgens de richtlijnen van Hitler.

Die tijd is dus voorbij. Dit stukje gaat over de inflatie van het superlatief. Hoe je in woord, en niet te vergeten beeld, je onbedaarlijke geestdrift moet tonen, de mensen van je helemaal totaal te gekke inspiratie moet overtuigen, je hartstikke ontembare woede moet laten overkomen – zulk soort toestanden – zonder dat wij ontdekken dat het niet veel bijzonders is, of niks. Om het eigentijds uit te drukken: helemaal niks.