Margulis

`Critici hebben gelijk als ze beweren dat uit willekeurige mutaties geen oog kan ontstaan', zegt de biologe Lynn Margulis (W&O, 16 februari). Opmerkelijk genoeg is het altijd weer dat oog dat door anti-darwinisten (vaak creationisten) in stelling wordt gebracht om aan te tonen dat de evolutietheorie niet juist kan zijn (wat heb je nou aan een half oog?). Het is alsof ze ooit aan het papegaaien zijn geslagen, zonder zich te bekommeren om de argumenten die sindsdien door darwinisten worden aangedragen om te laten zien dat een oog wel degelijk door mutatie èn natuurlijke selectie kan zijn ontstaan.

De opmerking van Margulis getuigt bovendien van een zekere kwaadwillendheid, omdat er sowieso niet wordt beweerd dat een oog uit willekeurige mutaties kan ontstaan. Integendeel: de rol van willekeurige mutaties wordt zelfs klein geacht, die van natuurlijke selectie + erfelijkheid (via voortplanting) des te groter. Als we een soort aantreffen die het in zijn omgeving goed doet, dan is dat namelijk niet het resultaat van willekeurige mutaties, maar van het resultaat van het overerven van een groep niet-willekeurige genen uit het verleden. Met andere woorden: iedere generatie werkt als een genenzeef, waarbij de volgende generatie die eigenschappen erft die voor de soort belangrijk zijn.

Het is derhalve een misverstand te menen dat natuurlijke selectie wacht op een mutatie, waarna ze haar werk van selectie kan beginnen. Mutaties hebben in den beginne voor de noodzakelijk variatie gezorgd, maar op het moment dat de natuurlijke selectie zich ermee ging bemoeien, behoorden de mutaties al weer tot het grijze verleden. Intussen is geslachtelijke voortplanting + erfelijkheid (recombinatie) voor de werkelijke variatie in de genenpool gaan zorgen; in feite heeft dit mechanisme de rol van willekeurige mutaties grotendeels overgenomen.

De bewering dat het oog nooit kan ontstaan uit willekeurige mutaties, betekent dus alleen maar dat de critici die deze bewering uiten, weinig van de theorie van het (neo) darwinisme (willen?) begrijpen. Ook is het niet waar dat, zoals Margulis suggereert, het darwinisme geen theorievorming toelaat, die afwijkt van de darwinistische grondprincipes. Waar het om gaat is wat is er (minimaal) aan mechanismen nodig is om de ontwikkeling van de soorten te verklaren. Als daar mechanismen zoals endosymbiose (maar ook zelforganisatie) aan kunnen worden toegevoegd om de theorie te perfectioneren, dan zal geen darwinist daar wat op tegen hebben. Eén en ander laat immers onverlet dat het evolutionaire basisprincipe als een `natuurlijk' algoritme onverminderd werkzaam blijft.