KLOON STERFT JONG DOOR LEVERSCHADE EN LONGONTSTEKING

Gekloonde muizen gaan eerder dood dan soortgenoten die op normale wijze verwekt zijn. Ze vertonen daarvoor al ongebruikelijke afwijkingen: ernstige longontsteking of een grotendeels afgestorven lever. Wetenschappers van drie Japanse onderzoeksinstituten melden dit in Nature Genetics (11 febr). Eerder werden al vele defecten aangetoond bij gekloonde zoogdieren: onder andere misvormde organen en een slecht werkend immuunsysteem.

De Japanse wetenschappers kloonden uit Sertoli-cellen (helpercellen in de zaadbal) 12 mannelijke muizen en vergeleken hun levensduur met twee controlegroepen: 7 natuurlijk verwekte muizen en 6 muizen wier moeders door sperma-injectie waren bevrucht. De muizen groeiden op in een omgeving zonder ziektekiemen.

Na 800 dagen vanaf de geboorte maakten de onderzoekers de balans op: tien klonen waren inmiddels gestorven en slechts drie controle-muizen. Tussen de twee controlegroepen was geen verschil. De totale levensduur van de dieren konden de wetenschappers niet vergelijken, omdat een aantal muizen nog leeft.

Longontstekingen en leverschade waren de voornaamste aandoeningen van de gekloonde dieren. Dat laatste bleek niet alleen uit sectie: de klonen hadden al jong te hoge concentraties van ammonium en een melkzuurvormend enzym in hun bloed, beide symptomen van een slecht werkende lever. De onderzoekers hadden deze aandoeningen nooit eerder bij muizen waargenomen.

Een falend immuunsysteem veroorzaakte waarschijnlijk de longontstekingen. Dat bleek uit een tweede proef, waarbij normale en gekloonde muizen werden geïnfecteerd met een tuberculose-bacterie. De klonen produceerden minder antistoffen dan gewone muizen en ook hun vreetcellen gingen de ziekteverwekkers met minder elan te lijf. Voor de leverschade konden de wetenschappers geen oorzaak vinden.