KLEURENZIEN BIJ DIEREN ONTSTOND DOOR JACHT OP EIWITRIJK BLAD

Het kleurverschil tussen rijp en onrijp fruit wordt beschouwd als de belangrijkste reden voor zoogdieren om het vermogen te ontwikkelen om kleuren te onderscheiden. Maar er is nu een nieuwe theorie gelanceerd: het kleurverschil tussen jonge en oude bladeren heeft in ieder geval bij apen in Zuid-Amerika een rol gespeeld. Peter Lucas (Universiteit van Hongkong) en zijn mede-onderzoekers zetten deze visie uiteen op een bijeenkomst van paleontologen en microbiologen in Chicago (Science, 25 jan).

De wijze waarop de onderzoekers tot hun conclusie kwamen, is bijzonder. Hij berust onder meer op het feit dat bekend is dat de voorloper van de huidige apen in de Oude Wereld omstreeks 35 miljoen jaar geleden het vermogen tot onderscheid van een heel scala aan kleuren ontwikkelden (daarvoor was het kleurenonderscheid vergelijkbaar met dat van rood/groen-kleurenblinden). De apen in Noord- en Zuid-Amerika maakten dezelfde ontwikkeling niet door. Ze waren door de inmiddels gevormde Atlantische Oceaan al geïsoleerd geraakt.

In 1996 had Gerald Jacobs (Universiteit van California) al ontdekt dat er niettemin ook in de Nieuwe Wereld een apengeslacht (de brulapen, Alouatta) bestaat dat kleuren kan onderscheiden. Dat vermogen moet zich dus los van de apen in de Oude Wereld hebben ontwikkeld. En in tegenstelling tot bijna alle andere apen, voeden de individuen van dit geslacht zich niet voornamelijk met vruchten, maar met jonge, eiwitrijke bladeren. Deze jonge bladeren hebben een roodachtige kleur, in tegenstelling tot de oudere bladeren, die groen zijn. Het is dus niet waarschijnlijk dat het onderscheid in kleur van rijp en onrijp fruit heeft geleid tot kleurenonderscheid bij deze apen. Misschien dat het bij de andere apen ook ooit zo is begonnen: ze eten weliswaar voornamelijk vruchten, maar bladeren staan op hun menu op de tweede plaats.