Geen beton maar baksteen

Huizenkopers en politici hebben een voorliefde voor historiserende architectuur. In Nederland verrijst daarom steeds meer nieuwbouw in klassieke stijl. `We hebben de architectuurhistorici mooi om de tuin geleid.'

Een kop, een romp en voeten, een gebouw als een lichaam. Zo omschrijft de projectontwikkelaar Jan Fraijman de woningen die zijn Buro de Binnenstad neerzet in de gaten van de oude Amsterdamse binnenstad. Door hun driedeling sluiten deze nieuwe invullingen nauw aan op de zeventiende-, achttiende- en negentiende-eeuwse huizen van Amsterdam die vrijwel zonder uitzondering de klassieke indeling van basis, middenstuk en lijst kennen. In sommige gevallen lijken de nieuwe gebouwen zelfs zo op hun omgeving dat het is alsof ze er al eeuwen staan.

,,Op de Kromboomsloot hebben we in 1997 een traditioneel pand gebouwd dat bij de inventarisatie van monumenten in de Amsterdamse binnenstad werd gebrandmerkt als `pand met grote architectonische waarde van voor 1940''', vertelt Fraijman trots in zijn kantoor in een oud pand aan de Amsterdamse Herengracht. ,,Het huis behoort nu tot de zogenoemde tweede orde van de Amsterdamse waarderingskaart. Dat wil zeggen dat het weliswaar geen monument is, maar dat behoud gewenst is. We hebben de architectuurhistorici mooi om de tuin geleid.''

Buro de Binnenstad, dat tien medewerkers heeft, is gespecialiseerd in het vullen van gaten in de oude Amsterdamse binnenstad. ,,Ons criterium voor een bouwlocatie is dat we die op de fiets kunnen bereiken'', vertelt Martijn van Rossum, mededirecteur van Buro de Binnenstad. ,,Vaak gaat het zo dat we ergens een gat of een bouwval zien. We gaan dan bij het kadaster na wie de eigenaar is. Die benaderen we dan met de vraag of hij de grond of het pand wil verkopen. Als we het gat hebben gekocht, maken we samen met architect Mark Tuerlings een ontwerp. We bouwen conservatief: uitgangspunt is toch altijd de klassieke driedeling. En standaard verticale ramen, zoals alle oude Amsterdamse huizen hebben.''

Buro de Binnenstad is niet de enige die de gaten in de binnenstad vult met gebouwen die in maat, materiaal en vormen overeenkomen met de oude Amsterdamse huizen. De laatste jaren zijn zulke invullingen eerder regel dan uitzondering geworden: de nieuwe Amsterdamse binnenstad wordt steeds traditioneler. Van de Zeedijk tot de Weteringschans en van de Vijzelstraat tot de Boomstraat zijn inmiddels zoveel traditionele bakstenen panden verrezen, dat het lijkt alsof het Amsterdamse stadsbestuur een oekaze heeft uitgevaardigd die moderne invullingen verbiedt.

In de Jordaan staat sinds vorig jaar bijvoorbeeld in de Bloemstraat een rijtje bakstenen woningen van Architectenburo Henri Leloup. Ze ogen bijna als replica's van gebouwen van twee eeuwen geleden, maar ze zijn, zoals bijna alle hedendaagse gebouwen in Nederland, hoofdzakelijk van beton gemaakt. De bakstenen fungeren slechts als gevelbekleding. Ook zijn de details niet zo precies en verfijnd als die van de echt oude Amsterdamse huizen. Om de hoek, in de Tweede Bloemdwarsstraat, is dat anders. Hier heeft aannemer Schreurer Timmer Betonwerk een poging gedaan om de oude panden die hier stonden echt te dupliceren. Hij bouwde, zoals in de vroeger eeuwen meestal gebeurde in Amsterdam, zonder architect. De oude ornamenten van de gesloopte bebouwing zijn nagemaakt. Nu is nog duidelijk te zien dat het rijtje woningen nieuw is, maar over een jaar of tien, twintig is de kans groot dat architectuurhistorici ook deze panden voor écht oud zullen aanzien. Weer iets verderop staat aan de Bloemgracht bakstenen nieuwbouw uit 1998. Hier heeft architect Butzelaar een cirkelvormig raam de verder traditionele gevel laten afsluiten, een grappige variatie op de aloude Amsterdamse halsgevel.

Ommekeer

De tijd dat het de eer van architecten te na was om een ouderwets, traditioneel gebouw te ontwerpen is voorbij. In de jaren zestig, zeventig en tachtig was het onder ontwerpers de gewoonte om gaten in de oude binnenstad in te vullen met gebouwen die in materiaal, vorm en kleur afweken van hun omgeving. Bijna iedere architect beschouwde het als zijn morele plicht om `eigentijds' te zijn: nieuwbouw moest zichtbaar van `nu' zijn. Hoogstens verwezen de architecten naar de klassieke omgeving op een abstracte manier, bijvoorbeeld door soortgelijke maatverhoudingen te gebruiken. Zo ging ook architect Ben van Berkel begin jaren negentig nog te werk bij zijn omvangrijke complex van winkels, kantoren, woningen en een hotel tussen de Nieuwezijds Voorburgwal en de Nieuwendijk. Van Berkel gaf zijn gebouwen allerlei schots en scheve vormen, die zouden kunnen worden beschouwd als echo's van de vooroverhangende en scheefgezakte oude panden in de directe omgeving. Ook de geplakte baksteentjes in delen van de gevels zijn bedoeld om aan te sluiten op de stenen omgeving. Maar de rest van de materialen – beton en veel glas – en ook de grote maten van vooral het kantoor aan de Nieuwezijds Voorburgwal wijken radicaal af van de kleinschalige gebouwen in de omgeving. De gebouwen schreeuwen uit dat ze heus van deze tijd zijn.

Een paar jaar geleden werd Van Berkels complex door de lezers van het Amsterdamse dagblad Het Parool uitgeroepen tot het lelijkste gebouw van Amsterdam. Maar niet alleen in esthetisch opzicht werd het een mislukking, ook commercieel. Nauwelijks een jaar na de oplevering werd de naargeestige winkelpassage gesloten. Later werd het winkelcomplex voor tientallen miljoenen guldens grondig verbouwd. De gevel aan de Nieuwendijk werd bijvoorbeeld rechtgetrokken en bekleed met een overdaad aan natuursteen, het cliché-materiaal om een gevoel van luxe op te roepen.

Van Berkels in 1996 opgeleverde complex is de laatste grote `nieuwerwetse' invulling in de Amsterdamse binnenstad geworden. De mislukking is een keerpunt geweest in het bouwen in het oude Amsterdam en heeft ertoe bijgedragen dat traditioneel bouwen de norm is geworden. Zelfs neomodernistische architecten als Benthem en Crouwel, die bekend werden door onder meer hun ontwerpen voor het nieuwe Schiphol, houden nu rekening met de omgeving, zoals blijkt uit hun uitbreiding van het Anne Frank Huis aan de Prinsengracht. Durfden ze het in het begin van de jaren negentig nog aan om naast het Centraal Station een detonerende metalen kantoortoren voor Wagon Lits en een hotel van glazen bouwstenen neer te zetten, hun uitbreiding van het Anne Frank Huis uit 1998 is keurig aangepaste architectuur, al verloochenen ze hun voorkeur voor strakke vormen niet. De donkere bakstenen van de gevels, de driedelige geleding van de gevel en de verticale ramen staan borg voor een eigentijdse aanpassing aan de historische omgeving.

Louvredeuren

Op aandrang van de Amsterdamse welstandscommissie hebben Benthem en Crouwel de louvredeuren van de zijgevel van het Anne Frank Huis in `Amsterdams standgroen' laten schilderen. Zoals in alle Nederlandse steden en dorpen moeten ontwerpen voor nieuwbouw worden voorgelegd aan een welstandscommissie. Ook in Amsterdam keurt `Welstand' regelmatig ontwerpen af en geeft vervolgens de architect aanwijzingen voor een beter ontwerp. Welstand adviseert de gemeenteraad, die het uiteindelijke besluit neemt over het verlenen van de bouwvergunning en de bevoegdheid heeft om af te wijken van het welstandsadvies.

,,Eerst hadden we een veel moderner ontwerp gemaakt voor de uitbreiding van het Anne Frank Huis'', zegt Mels Crouwel van het architectenbureau BenthemCrouwel Architecten, het bureau dat bekend werd om zijn strakke, supermodernistische ontwerpen als dat voor Schiphol. ,,Maar onder druk van de politiek, welstand en de omwonenden hebben we ons bij ons tweede ontwerp ingehouden. We hebben de traditionele Amsterdamse bouw op een moderne manier geïnterpreteerd zonder truttig te worden.

,,Uiteindelijk zijn we heel tevreden over de aangepaste nieuwbouw van het Anne Frank Huis. Het is verstandig om voorzichtig om te gaan met de Amsterdamse grachtengordel. De Amsterdamse binnenstad is een uniek geheel, dat beseffen we niet altijd doordat we er zo vaak zijn. Er zijn vroeger wel eens een paar goede moderne gebouwen gekomen in de binnenstad, maar de meeste moderne invullingen zijn slecht. Het probleem met die moderne invullingen is dat als ze slecht zijn, ze meteen een ontsierende ramp zijn. Een slechte traditionele invulling is alleen maar onopvallend.''

Ook Fraijman van bureau Buro de Binnenstad heeft geen moeite met Welstand. ,,Een esthetische keuring is goed'', zegt hij. ,,Soms wordt een ontwerp er ook beter van. Maar met onze traditionele ontwerpen voldoen we vaak al aan de eisen van Welstand en voorkomen we moeilijkheden.''

De eisen die Welstand aan nieuwbouw in de binnenstad stelt zijn strenger geworden sinds Amsterdam in 1999 van regeringswege tot beschermd stadsgezicht werd verklaard, vindt Fraijman. Maar volgens Paul Jongen, de secretaris van de Welstandscommissie Binnenstad, betekent het `beschermd stadsgezicht' van Amsterdam zeker niet dat Welstand alleen nog traditionele ontwerpen goedkeurt. ,,De gemeente Amsterdam heeft de aanwijzing van de binnenstad tot beschermd stadsgezicht vertaald in `behoud en herstel''', legt Jongen uit. ,,Voor nieuwbouw komt dit vaak op historiserend bouwen neer. Maar historiserend is een begrip waar de welstandscommissie eigenlijk niet zoveel mee kan. Ook bouwen à la het modernisme van Le Corbusier is historiserend. Zelfs als je eronder verstaat dat een gebouw de klassieke driedeling moet hebben, kun je nog op duizend manieren historiserend bouwen.''

,,Welstand staat neutraal tegenover stijlen'', stelt Jongen. ,,Het enige dat voor ons telt bij de beoordeling is of het ontwerp kwaliteit heeft. Anything goes, als het maar goed is. Welstand had jaren geleden dan ook helemaal geen moeite met het complex van Ben van Berkel aan de Nieuwezijds. Achteraf moet je vaststellen dat dit plan een conceptuele fout bevatte, maar destijds was de welstandscommissie er zeer positief over.

,,We staan ook nu niet negatief tegenover hedendaagse invullingen in de oude binnenstad. Zo kreeg de commissie een tijdje geleden een ontwerp voor een nieuw gebouw aan de Panaalsteeg bij het Singel ter beoordeling. Rudy Uytenhaak had op deze kavel een knap gebouwtje met een geheel glazen vliesgevel ontworpen. Wij keurden het goed, maar de gemeente nam ons advies niet over. Nu komt daar weer zo'n flauw negentiende-eeuws gebouwtje.''

Volgens Jongen is dan ook niet welstand, maar de gemeenteraad verantwoordelijk voor de trend van historiserende bouw. ,,De gemeenteraad heeft de laatste tijd wel meer eigentijdse, door welstand goedgekeurde plannen voor de binnenstad afgekeurd'', zegt hij. ,,Gemeenteraadsleden hebben een buitengewone belangstelling voor het bouwen in de binnenstad. Ik denk wel eens: hebben ze niks beter te doen dan zich te bemoeien met al die lullige gebouwtjes? Vooral de PvdA en D66 spelen hierbij een belangrijke rol. Het is wonderlijk hoe behoudend progressieven zijn als het gaat om bouwen in de binnenstad.''

D66-gemeenteraadslid Guido Frankfurther beaamt dat zijn fractie niets tegen historiserende invullingen in de oude binnenstad heeft. Sterker nog, als het even kan, verdient reconstructie van oude panden de voorkeur. Hij is niet zo te spreken over welstand. ,,Het complex aan de Nieuwezijds Kolk is de grootste vergissing van de jaren negentig'', vindt Frankfurther. ,,Maar blijkbaar voldeed het wel aan de criteria van welstand. Ik zou graag willen dat niet alleen mensen die architect of architectuurhistoricus zijn in de welstandscommissie zaten, maar ook leken met een gevoel voor de maat en verhoudingen van de stad. De Amsterdamse binnenstad is toegesneden op de voetganger en dat heeft consequenties voor de maat en schaal van nieuwbouw. Amsterdam is een van de weinige steden in Europa waarvan het oude centrum zo gaaf behouden is. Nieuwbouw moet daarom uiterst zorgvuldig worden ingepast en aangepast. Wat mij betreft zouden we zelfs een stap verder moeten gaan en oude vergissingen herstellen. We moeten de moed hebben om het complex aan de Nieuwezijds Kolk of het hoofdkantoor van Wagon Lits af te breken.''

Hans Bakker, gemeenteraadslid voor de Socialistische Partij, is minder uitgesproken dan Frankfurther. ,,Van de SP hoeft niet alle nieuwbouw in de binnenstad zo historiserend te worden'', zegt hij. ,,De mogelijkheden voor nieuwe architectuur in de binnenstad zijn toch al beperkter dan vroeger. Tien, twintig jaar geleden werd er eerder gesloopt en was er meer ruimte voor nieuwbouw. Maar het huidige beleid van `behoud en herstel' leidt hoogstens tot incidentele, kleine gaten in de binnenstad. En daarvoor komen architecten in veel gevallen uit zichzelf al met historiserende ontwerpen. Dat is een kwestie van mode. Overal in Nederland zie je nieuwe historiserende gebouwen en woonwijken verschijnen. In Arnhem gaan ze bijvoorbeeld nieuwe, oude huisjes aan grachtjes bouwen.''

Taboe

De historiserende mode in de architectuur en stedenbouw loopt parallel met de opkomst en doorbraak van het postmodernisme in Nederland. Tot de jaren negentig was het postmodernisme onder architecten taboe in Nederland. Terwijl buitenlandse architecten in de jaren tachtig de geschiedenis herontdekten en gebruik gingen maken van vertrouwde, historische vormen, bleven de Nederlanders in de ban van het modernisme zoals dat in de jaren twintig werd gedefinieerd door Le Corbusier, Walter Gropius en J.J.P. Oud. Maar nadat in het midden van de jaren negentig de gemeente Groningen na een volksraadpleging de Italiaanse postmodernist Adolfo Natalini had uitverkoren om de oude binnenstad te herstellen, gingen meer gemeenten in zee met postmodernisten. Eerst moesten de gemeenten en projectontwikkelaars hun postmodernistische architecten nog importeren uit het buitenland, maar aan het begin van de eenentwintigste eeuw zijn er ook tal van Nederlandse architecten, onder wie Sjoerd Soeters, Jos van Eldonk en Wim van Bokhoven, die traditionele ontwerpen niet schuwen.

Naast de landelijke mode noemt Martijn van Rossum van Buro de Binnenstad het veranderde huisvestingsbeleid in de Amsterdamse binnenstad nog als oorzaak van het historiserende bouwen. ,,Vijftien jaar geleden werd elk gat in Amsterdam gevuld met sociale woningbouw'', zegt Van Rossum. ,,De budgetten daarvoor waren laag en daarvoor was de goedkope, modernistische architectuur, met platte daken, ramen zonder roedes en pleisterwerk uitstekend geschikt. Maar in de jaren negentig wilde de gemeente ook bouwen voor bewoners met hogere inkomens, zodat die de stad niet zouden verlaten. Dit maakte het mogelijk om de gaten te vullen met duurdere appartementen voor de vrije markt. Daar komt nog bij dat de markt in de jaren negentig heel willig is geweest. Jarenlang steeg de verkoopprijs van de panden veel harder dan de bouw- en grondkosten. Dat bood ruimte voor details als mooie daklijsten en ramen met roedes.''

Niet alleen de politiek maar ook de markt wil traditionele architectuur, zo leert de ervaring van Buro de Binnenstad. ,,Oorspronkelijk hadden we voor het pand aan de Kromboomsloot een modern ontwerp gemaakt'', vertelt Jan Fraijman. ,,Maar een bevriende makelaar wees ons erop dat als we het een klassieke gevel zouden geven, we er minstens enkele tienduizenden guldens meer voor konden vragen. Dat bleek te kloppen. Ook wat interieurs betreft hebben de meeste kopers een conservatieve smaak. Lofts en grote open ruimten willen ze maar in heel beperkte mate. Traditionele, heldere plattegronden met weinig gangen en zo ruim mogelijke, afzonderlijke kamers – dát is wat kopers willen.''