Etrusken

Over de oorsprong van de Etrusken is reeds heel veel geschreven. Het is dan ook niet makkelijk om met een nieuwe theorie te komen. Zoals de journalist Charles Coster terecht aangeeft, zijn er naast de autochtonisten, die met Pallottino van mening zijn dat de Etruskische taal teruggaat op die van een niet-Indo-Europese restgroep, de oriëntalisten, die met Herodotos van mening zijn dat de Etrusken uit Lydië in Klein- Azië afkomstig zijn (`Van oost naar west', W&O, 16 februari).

Professor Beekes bekent zich in het artikel tot diegenen onder de oriëntalisten die menen dat de Etrusken in de tijd van de zeevolken, aan het eind van de bronstijd (ca. 1200 v.Chr.), naar Italië geëmigreerd zijn. Dat is moedig in een tijd dat de aanhangers van de Pallottino-these nog in de meerderheid zijn, maar niet nieuw. Voor de volledigheid: naast deze stroming zijn er onder de oriëntalisten ook nog diegenen die de emigratie van de Etrusken uit Klein-Azië naar Italië in de vroege ijzertijd situeren, ca. 750-650 v.Chr., dat wil zeggen in de dezelfde tijd waarin ook de Phoeniciërs en Grieken het westelijk Mediterrane bekken verkennen en koloniseren. Uit archeologisch gezichtspunt valt hier veel voor te zeggen, omdat in deze periode onder grafheuvels kamergraven van Klein-Aziatisch type in Etrurië verschijnen, bucchero-aardewerk opduikt dat een nauwe parallel heeft in het Noord-Egeïsche gebied, en steden worden gesticht volgens een nauwgezet voorgeschreven patroon, etc.

Als linguïst houdt Beekes zich niet bezig met de archeologische kant van de bewijsvoering, maar hij geeft ook geen oplossing voor het meest heikele twistpunt waarop elke theorie over de oorsprong van de Etrusken staat of valt: de aard van de Etruskische taal. Hij noemt de naam van een heros, Tarchun, die correspondeert met de Luwische godennaam Tarhunt, zonder te vermelden dat deze gebaseerd is op een Indo-Europese stam eindigend op laryngaal *h2, een klank die in alle Indo-Europese talen wegvalt, maar alleen in die van Klein-Azië weergegeven wordt door een gutturaal. Verder wijst hij op de persoonsnaam Nanas, zonder te vermelden dat deze teruggaat op een Indo-Europese stam met een stemhebbende gutturaal *g die alleen in de vertegenwoordigers van de Luwische taalgroep verdwijnt zonder een spoor na te laten.

De vraag rijst of we hier nu te maken hebben met het Indo-Europees van Klein-Aziatisch type, zoals het Lydisch. Of wordt de door de etruskoloog Pallottino geopperde these van een niet-Indo-Europese restgroep via de achterdeur in een oriëntaals jasje, weer ten tonele gevoerd? Op dat laatste zit, dunkt mij, niemand te wachten. Die negentiende-eeuwse opvatting die een pre-Indo-Europese restgroep in westelijk Klein-Azië situeert (of het nu de periode van ca. 1200 v.Chr. of die van ca. 700 v.Chr. betreft), is inmiddels wel door de feiten achterhaald.