Een zuinige vrouw is de beste spaarpot

Sinds de aandelenkoersen een poosje geleden tot ondenkbare hoogten stegen, en iedereen rijk dacht te worden, vinden veel lezers sparen een vruchteloze bezigheid. Nog steeds. Men wil meer. Bezitters van tienduizenden euro's en meer kijken neer op sparen, hoewel ze zelf niet weten hoe je meer dan de spaarrente moet maken.

Dus moet een deskundige ze dat maar vertellen. Maar die geven niet thuis op een concrete vraag naar meer rendement. En terecht, want hoe kan je zeker zijn van een hogere rente dan die op een staatslening? De meest betrouwbare debiteur van Nederland is toch de Nederlandse staat. Alleen werknemersspaarregelingen bieden een flink hogere vergoeding, omdat de fiscus daaraan meebetaalt.

Wat is er tegen sparen? Het is een van de pijlers onder onze huidige welvaart. Uit het ruime aantal spreekwoorden en gezegden blijkt dat ook.

Voorbeeld: een zuinige vrouw is de beste spaarpot. Dit spreekwoord stamt zonder twijfel uit de tijd van het strikte kostwinnersmodel. Vader werkt buitenshuis en moeder doet het huishouden. Ook uit die tijd: vroeg op weg en traagkens varen, helpt de tijd en rampen sparen. Deze doet denken aan de mensen die vroeg van huis gaan en dan uren in de file staan. En `leer, doe en spaar je wat, dan kun je, heb je en ben je wat' vat de drie voorwaarden voor een voorspoedig leven treffend samen en zou zo op een tegeltje kunnen.

De essentie van sparen is dat de hoofdsom intact blijft, anders dan een belegging in aandelen. Je krijgt altijd je geld terug en ontvangt voor het afstaan van je geld aan de bank een rentevergoeding. De bank probeert met de ingelegde spaargelden meer rente te verdienen dan ze aan cliënten moet betalen. Bijvoorbeeld door geld te lenen aan bedrijven, kredietverlening, en hypotheken uit te zetten. Daaruit volgt direct de relatie tussen economische bedrijvigheid, behoefte van bedrijven aan geld en de rente op de spaarmarkt.

Het heeft dus geen zin om boos te worden op de bank, omdat de spaarrente laag is, althans lager dan spaarders denken te moeten ontvangen. Omdat ze nog steeds dromen dat je op de beurs zo'n twintig tot dertig procent kunt verdienen. De bank zit klem tussen vraag en aanbod van geld en probeert voor zichzelf een zo groot mogelijk renteverschil te behalen. Laag lenen, hoog uitlenen. En zolang er niet te veel klanten weglopen naar de concurrentie, die net iets meer rente biedt, hoef je de rente niet op te trekken. Zelfs wanneer het theoretische inflatiepercentage in Nederland hoger is dan de spaarrente en de 1,2 procent vermogensrendementsheffing in box 3 er nog afgaat, dan nog blijven mensen sparen. Bijvoorbeeld bij gebrek aan alternatieven.

Die dalende rentetrend zet zich voort zolang de wereldwijde economie niet duidelijk aantrekt. Trekt hij wel aan en willen bedrijven daarop vooruit lopen door te lenen, omdat ze denken dat hun klanten (de consumenten) weer meer gaan besteden, dan loopt de rente weer op. Het bedrijfsleven (gestimuleerd door consumenten) is een bepalende factor voor rente, aandelenkoersen, dividenden, prijzen, huren en dergelijke. Het is niet anders.

Tenzij je meer risico wilt lopen. Dan verandert sparen in beleggen of speculeren. Bijvoorbeeld met bedrijfsobligaties of obligaties van landen met economische problemen zoals Argentinië en Brazilië.

Een gevolg van de minder uitbundige economie en de nasleep van de internet hype is dat leningen (obligaties) aan slecht draaiende bedrijven minder waard worden, omdat de oorspronkelijke houders die stukken massaal verkopen. Zij vrezen op twee manieren het schip in te gaan. Zo'n bedrijf betaalt de lening misschien nooit meer terug en/of betaalt minder of geen rente.

Door de lagere obligatiekoers stijgt de rente. Bij een koers van honderd procent en zeven procent rente is het rendement precies zeven procent. Daalt de koers tot vijftig procent, dan stijgt de rente naar veertien procent. Dat is aantrekkelijk, maar riskant.

De markt geeft dit extra voordeel (de premie) niet voor niets: je loopt risico. De koper van zo'n obligatie hoopt dat de koers weer herstelt (omdat men het bedrijf weer vertrouwt) en hij daarop winst kan nemen.

Dit is niets voor onervaren beleggers. De markt is minder overzichtelijk en doorzichtig dan die voor Amsterdamse aandelen en staatsleningen. Bovendien loop je valutarisico als het gaat om niet-euro leningen. Vraag daarom hulp van een obligatieadviseur, als die al wil meewerken aan zo'n advies. Daarom is het beter om deel te nemen in een wereldwijd opererend obligatiefonds, waarvan de een wat minder in dergelijke leningen doet dan de ander. Voor een juiste keus moet je ook bij een adviseur zijn, maar verwacht geen wonderen van de rendementen.

Dan toch maar liever een zuinige huisvrouw?