Een verborgen oorlog in een vergeten land

Autoriteiten in Angola vegen het platteland schoon en bekommeren zich niet om de vluchtelingen. De meeste slachtoffers van de burgerroorlog sterven niet door kogels, maar door ondervoeding en ziektes die niet fataal hoeven zijn.

In een vergeten land woedt een verborgen oorlog. Twee bevrijdingsbewegingen strijden in Angola ruim een kwart eeuw na de onafhankelijkheid nog altijd om de koloniale erfenis.

Beide voormalige volksbewegingen gebruiken de bevolking als voornaamste wapen. Dat doen ze in het diepste binnenland, uit het zicht van camera's, buiten bereik van hulporganisaties. Zij die ondergaan worden alleen gehoord door hen die met hen ondergaan.

De troepen van de MPLA-regering volgen de strategie van de verschroeide aarde. Ze vegen het platteland schoon. Ze drijven de dorpelingen naar de steden en dat noemen ze `schoonmaak' of `pacificering'. Sinds het regeringsoffensief van 1999 heeft het Angolese leger de rebellen van Unita al uit steden en diamantgebieden verdreven. Maar om de aartsrivalen onder leiding van de gehate leider Jonas Savimbi te vernietigen, en dat is het doel, moet ,,de vis worden beroofd van zijn water'', zegt regeringsadviseur Leif Biureborgh in de hoofdstad Luanda. Unita mag niet meer de kans krijgen om te parasiteren op de plattelanders. Boertjes hebben lang genoeg voedsel en arbeid geleverd, plus zonen als recruten en dochters `om mee te dansen'. De bevolking heeft al te lang als stootkussen tussen regering en rebellen gefungeerd.

Zes dagen nadat een rebelleneenheid van Unita bij zonsopgang het garnizoensstadje Mussende overviel, druppelen honderd kilometer verderop in de provincie Malanje de vluchtelingen nog altijd binnen. Zij die het bij de eerste schotenwisselingen meteen op een lopen hebben gezet, bezitten alleen de vodden die ze dragen. Vuile, versleten lappen textiel, vol scheuren en gaten en rafels, al duizend keer hersteld met alle kleuren garen van de regenboog. Je ziet direct wie de dagenlange tocht door de mata, door de bush, zonder slippers of omgebonden zoolrestanten hebben moeten maken. Het vel van hun voeten, schenen, kuiten, ziet eruit als olifantenhuid.

Een jongetje van zeven heeft ook olifantenhuid op zijn knieën. Zijn vader met een diepe snijwond van een kapmes aan zijn been kon hem niet meer dragen. Zijn jonge moeder met de polsen als twijgjes had al een baby op haar rug. De jongen heeft hele afstanden moeten kruipen omdat hij te verzwakt was om te lopen. Twee dagen later zal hij in het voedingscentrum van Artsen zonder Grenzen toch nog overlijden. Zijn moeder zal hem nog een keer op haar rug dragen, terwijl alleen nog maar zijn voeten uit de doek steken en zijn dode oudemannengezicht met de opengesperde mond achter de stof blijft verborgen. Een lijkje van nog geen dertieneneenhalve kilo. Het gewicht van een gezonde tweejarige peuter in Nederland.

Wat zich na de aanval in Mussende heeft afgespeeld, weten alleen degenen die eerst naar hun lavra's, naar hun akkers, zijn gevlucht, en zich daar soms dagen hebben schuilgehouden, voordat ze in de stad voorzichtig poolshoogte durfden nemen. Ze vertellen over de lijken op straat, sommige met een kapmes onthoofd. Ze vertellen ook over de verkoolde lichamen die ze vonden in verbrande huizen. Een vrouw duwt de twee kinderen van haar zus naar voren. Ze hebben hun moeder horen gillen toen ze door het vuur werd verteerd.

Twee keer eerder is hij de laatste jaren al verdreven, zegt Luciano Kilulu, een soba, een van de traditionele leiders. Hij pulkt het vuil uit zijn baard. De laatste keer toen hij nog verder in het binnenland woonde, werd hij tijdens het werken op het land verrast door de FAA, de troepen van de MPLA-regering. Ze kwamen met helikopters en trucks, en vingen de meesten van de dorpelingen. Ze sloegen, stalen en verkrachtten jonge vrouwen. Daarna brachten ze de bewoners naar Mussende, naar `bevrijd gebied'. Maar ze zorgden niet voor opvang, niet voor voedsel, niet voor medicijnen. Acht van zijn tien kinderen hebben de bevrijding niet overleefd.

Alleen vorig jaar al dreef de oorlog ruim een half miljoen mensen uit hun huizen. Daarmee kwam volgens de Verenigde Naties het totaal aantal binnenlandse vluchtelingen sinds het midden van de jaren negentig op 4,1 miljoen, eenderde van de bevolking. Nog eens 430.000 mensen zochten hun toevlucht over de grenzen. Een volk op de vlucht.

Van platteland naar stadjes, van stadjes naar steden, van provinciecentra naar de hoofdstad Luanda. Eenrichtingsverkeer. Want staatssecretaris van Onderwijs en Cultuur Fragata de Morais kan nog zo hard roepen dat de oorlog bijna voorbij is, zijn regering beheerst alleen een eilandenrijk van opgezwollen steden. Een autotocht naar het binnenland is levensgevaarlijk en vaak onmogelijk door kapotte wegen en bruggen. Zelfs vliegverkeer weet zich niet veilig. Toestellen die zijn ingehuurd door hulporganisaties, stijgen en dalen in scherpe spiralen om de trefkans te verkleinen. Vorig jaar hebben de rebellen nog twee vliegtuigen van de VN bestookt.

De regering laat de plattelandsbevolking kreperen, zegt Erick de Mul, hoogste verantwoordelijke in Angola van de VN-organisatie UNDP. Niet uit armoe, want Angola is na Nigeria de grootste olieproducent van Afrika bezuiden de Sahara. En Angola is in waarde de op drie na grootste diamantexporteur ter wereld, achter Botswana, Rusland en Zuid-Afrika. Maar de opbrengst gaat voor bijna de helft naar de oorlog. De andere helft verdwijnt grotendeels in het patronagesysteem van president (sinds 1979) José Eduardo dos Santos waarmee hij de loyaliteit koopt van vriend en vijand.

In 1999, het laatste jaar waarvan min of meer betrouwbare cijfers beschikbaar zijn, bleef minder dan vijf procent van de begroting over voor sociale zaken, onderwijs en gezondheidszorg.

Artsen zonder Grenzen sprak ruim een jaar geleden in een alarmerend rapport al over `welbewuste verwaarlozing' van de plattelandsbevolking. De meeste slachtoffers van de Angolese burgeroorlog sterven niet door kogels of mortiergranaten, maar door ondervoeding en door te vermijden of te genezen ziektes. Een op de drie kinderen haalt het vijfde jaar niet. Meer dan de helft van de bevolking is analfabeet. Bijna tweederde heeft geen toegang tot schoon water en tweederde moet dagelijks toekomen met minder dan een dollar. Op de UNDP-ranglijst van menselijke ontwikkeling staat Angola 146e van 162 landen. De levensverwachting bedraagt 45 jaar.

Internationale organisaties leveren de noodhulp die de overheid verzuimt te geven. Het Wereldvoedselprogramma van de VN (WFP) voedt een op de tien Angolezen, 1,3 miljoen mensen. Artsen zonder Grenzen (MSF) leidt een groot aantal gezondheidsposten en voedingscentra, verspreid door het hele land, en zorgt voor het provinciaal ziekenhuis in Kuito, het Dresden van Angola. Maar de organisaties zien zich voor een overmacht geplaatst. Op de kinderafdeling in Kuito stinkt het naar diarree en open wonden. Er zijn 102 bedden voor een overmaat aan patiënten. ,,Een slagveld'', zegt een Oostenrijkse arts. Week in, week uit sterft tien tot twintig procent van de kinderen.

De hulpverleners voelen zich door de overheid misbruikt. Maar weggaan willen ze ook niet. ,,Ons vertrek'', zegt Pier Luigi Susani van MSF, ,,zou leiden tot een humanitaire catastrofe.'' Volgens hem voltrekt zich zo'n ramp al in de delen van het binnenland waar de hulporganisaties wegens de onveiligheid niet kunnen komen. Door de wereld niet gezien.

Door de regering genegeerd, meent de Angolese schrijver Pepetela, ex-vrijheidsstrijder van de MPLA, oud-staatssecretaris van Onderwijs, die zich teleurgesteld heeft afgewend van de politiek. Hij bespeurt bij de huidige machthebbers eenzelfde houding als bij de vroegere Portugese overheersers die alleen maar waren geïnteresseerd in de kuststrook. Zij richtten hun gezicht naar de zee waarachter ze Portugal en Brazilië wisten. Ze keerden hun kont naar het land dat eeuwenlang de slaven leverde: niet meer dan peças, `dingen'.

Ruim een kwart eeuw na de onafhankelijkheid kent Angola nog steeds twee soorten mensen. Een stedelijke zwarte en gekleurde elite die op vakantie gaat naar de Algarve of Kaapstad, die haar kinderen op staatskosten in Zuid-Afrika of Portugal laat studeren en zelf op staatskosten voor medische behandeling naar het buitenland gaat. Ze heeft het over `Wij, Europeanen' en sluit liever een verdrag met Finland dan met Zambia. Aan de andere kant de inlanders, die het in een verwoest gebied dat dertig keer zo groot is als Nederland zonder de meest elementaire voorzieningen moeten stellen. De president heeft het binnenland sinds 1992 welgeteld één keer bezocht.

Die tegenstelling verdwijnt niet, zegt Tony Hodges, auteur van het boek Angola from Afro-Stalinism to Petro-Diamond Capitalism. Ook niet als de regering erin slaagt om de oorlog ,,meer beheersbaar te maken'': Unita nog verder terug te dringen en grotere delen van het land te controleren. De kans dat dit lukt acht hij groot omdat de kloof in inkomsten tussen de regering en Unita almaar wijder wordt. De regering financiert de oorlog van oudsher met olie, Unita met diamanten. Maar terwijl de olieproduktie steeds verder toeneemt, kan Unita alleen maar teren op een oude voorraad diamanten. Zonder duivelse tegenstander kan de regering zich niet meer achter het excuus van de oorlog verschuilen.

Eerste deel van een serie over de vergeten oorlog in Angola.