Een rit naar de hemel op Cuba

Sandra Smallenburg was op het Cubaanse schiereiland Cayo las Brujas de Amerikaanse toeristen voor.

De rondweg van Santa Clara, een stad in het midden van Cuba, telt zes uitvalswegen. Eén daarvan leidt naar de noordkust, maar bij gebrek aan bewegwijzering is het kiezen van de juiste afslag een gokspelletje. De handigste manier om in Cuba op de plaats van bestemming te komen is een lifter op te pikken die de weg kan wijzen. Het openbaar vervoer is in dit deel van het land slecht geregeld, en dus neemt iedereen die over een rijdend voertuig beschikt zoveel mogelijk passagiers op zijn achterbank of in zijn laadbak mee. Hetzelfde wordt verwacht van toeristen die zich in huurauto's verplaatsen.

Onze plaats van bestemming is Cayo Las Brujas, een van de talloze koraaleilandjes langs de noordkust die samen de archipel Jardines del Rey vormen. Tot eind jaren tachtig was dit 400 kilometer lange koraalrif vrijwel onbewoond. Maar sinds de Cubaanse regering in 1988 een 28 kilometer lange dam aanlegde die Cayo Coco, het grootste eiland van de archipel, met het vasteland verbindt, is de weg vrijgemaakt voor het massatoerisme. Cayo Coco werd volgebouwd met luxueuze all-inclusive hotels en een internationaal vliegveld, zodat de Europese toeristen nu rechtstreeks per charter ingevlogen kunnen worden.

Het veel kleinere Cayo Las Brujas, 40 kilometer ten westen van Cayo Coco, is tot nu toe de dans ontsprongen. Maar omdat ook dit eiland enkele jaren geleden door middel van een lange dam degradeerde tot schiereiland, zal het niet lang meer duren voordat ook hier goedkope zonvakanties kunnen worden gevierd. Een landingsbaan is al aangelegd en de Cubaanse regering heeft plannen klaarliggen om Cayo Las Brujas met Cayo Coco te verbinden, ondanks de waarschuwingen van milieudeskundigen die vrezen dat de kunstmatig gecreëerde binnenzee het fragiele ecosysteem van de archipel zal aantasten.

Het is zo'n 50 kilometer van Santa Clara naar het havenstadje Caibarién, het startpunt van de dam naar Cayo Las Brujas. Hard rijden kun je niet, aangezien de weg vol kuilen en bulten zit en de bermen bevolkt worden door ossen en muilezels.

Onderweg passeren we kleine dorpjes waar de tijd heeft stilgestaan en waar koetsjes en oldtimers het straatbeeld bepalen. Lage koloniale gebouwtjes met afgebladderde verflagen strekken zich uit aan weerszijden van de weg. Op de trottoirs staan slaperige paarden, hun hoofden vastgebonden aan de houten balustrades van de veranda's.

Bij de controlepost van de dam worden, volgens Cubaans gebruik, al onze gegevens door een militair in zijn notitieblokje opgenomen. Dan gaat de slagboom omhoog en ligt er 48 kilometer gloednieuw asfalt voor ons. De snelheidslimiet is 90 kilometer per uur, maar de verleiding is groot om het gaspedaal steeds verder in te trappen. Er is in geen velden of wegen een tegenligger te bekennen. De enige medeweggebruikers zijn pelikanen, die vanaf de rand van de dam het ondiepe zeewater afspeuren. Hoog in de lucht cirkelen tientallen zwarte gieren, tevergeefs wachtend op het moment dat er een verkeersslachtoffer valt.

De zinderende hitte tovert het asfalt om in een spiegelende plas, waardoor je voortdurend het idee hebt dat je met een noodvaart de zee in rijdt. Maar het virtuele water blijft zich verschuiven. En als na een tijdje het beeld van het vasteland uit de achteruitkijkspiegel is verdwenen, worden we door louter blauwe tinten omgeven. Een adembenemend panorama van perfect symmetrische wolkenpartijen ontvouwt zich rondom de auto. Voor mijn gevoel rijden we rechtstreeks de hemel in.

Het magische gevoel wordt pas doorbroken als aan het eind van de dam een verkeersbord ons welkom heet op Cayo Las Brujas. Een smalle weg voert langs het verlaten vliegveldje en dwars door de mangrovebossen, om uiteindelijk dood te lopen bij Villa Las Brujas, het enige hotel van het eiland.

Op een rotsachtig platform boven het water staan 21 houten hutjes met uitzicht op zee. In het naastgelegen restaurant kun je genieten van een eenvoudige vismaaltijd, terwijl tropische vogels vanaf de rand van je tafeltje toekijken. En wie dit nog niet paradijselijk genoeg vindt, kan met een bootje naar het drijvende hotel San Pasqual worden gebracht. Op deze oude Amerikaanse olietanker, die in 1933 een paar kilometer van de kust van Las Brujas strandde, zijn tien kamers voor gasten ingericht.

Maar de ware attractie van het eiland is het maagdelijk witte strand dat verscholen ligt achter de ondoordringbare mangrovebossen en alleen via een houten loopbrug te bereiken is. Het strand is zo goed als verlaten. Als er geen strooien parasolletjes tussen de kokospalmen hadden gestaan, had je je Robinson Crusoë kunnen voelen. Steek hier je hoofd onder water en je waant je in een aquarium.

Ik besef dat wij waarschijnlijk tot de laatste toeristen behoren die hier van de stilte kunnen genieten. Op het eiland Cayo Santa Maria, vijftien kilometer verderop, wordt binnenkort het 300 kamers tellende vakantieresort Sol Cayo Santa Maria geopend. Fidel Castro noemde het twintig kilometer lange zandstrand van Santa Maria al superieur ten opzichte van Varadero, dat tot nu toe Cuba's populairste badplaats was. Het zal dus wel niet bij één hotel blijven. Zeker nu Cuba sinds kort weer on speaking terms is met de Verenigde Staten, en er wordt gesproken over het opheffen van het ruim veertig jaar oude handels- en reisembargo, beginnen projectontwikkelaars dollartekens in hun ogen te krijgen. De eerste Talibaanstrijders zijn al door de Verenigde Staten naar Cuba gestuurd. Het zal niet lang meer duren voordat ook Amerikaanse toeristen het Caraïbische eiland weer mogen bezoeken.

Een Fly & Drive naar Cuba (vlucht, huurauto en 7 overnachtingen in middenklassenhotels) kost circa 1.000 euro (excl. autoverzekering van ca. 20 US dollar per dag). Losse retourvluchten kosten ongeveer 700 euro. In hotel Villa Las Brujas kosten overnachtingen ca. 45 US dollar per kamer (reserveringen via reisbureau Rumbos, tel 0053 4224643).