De toekomst van het verleden

De band met het verleden wordt in hoge mate bepaald door wat er weggegooid wordt. Wanneer we alles zouden bewaren wat er door onze handen gaat, zouden onze huizen niet alleen veel te klein zijn, ze zouden ook gigantisch vervuilen. Ik zag ooit een serie op de BBC over rare eenlingen die in hun huis vijftig jaargangen van kranten, alle lege conservenblikjes en het lijk van hun poes bewaren. Er zijn mensen die het moeilijk vinden om verbruikte treinkaartjes weg te gooien. De man die elke dag zijn drol fotografeerde en daarna pas de echte doorspoelde, is ook een voorbeeld van hoe ver bewaarzucht kan gaan.

Alles willen behouden wat het verleden opgeleverd heeft is een ziekte, een zucht, om dat mooie oude Nederlandse woord te gebruiken. Bracht Freud het niet in verband met de anale fase die bewaarzuchtigen niet goed afgesloten zouden hebben? Ook je eigen verleden moet ingedikt worden: wat je meeneemt naar het heden is een selectie. De criteria om te schiften, dat is interessant. Iedereen heeft ermee te maken. In Nederland zal vrijwel elke volwassene baby- en kleuterfoto's hebben uit de eerste levensperiode. Daarna begint het verschil. De moeders zijn over het algemeen de bewaarders van materiële herinneringen, en van hen hangt af wat er over is. Zijn er kindertekeningen bewaard? Eén of honderden? Zijn er schoolschriftjes met de eerste pogingen tot schrijven? Is het eerste schoentje bewaard? De melktandjes? Speelgoed, de belangrijkste knuffel, de pop? Staan de eerste geluiden op een bandje, een video? Staat de wieg op zolder? Een honderdmaal voorgelezen Jip en Janneke, een loshangend plaatjesboek, het eerste babytruitje, de doopjurk, een zelfgemaakt jurkje? Op basis waarvan beslist de moeder welk jurkje bewaard wordt en welk naar een jonger buurmeisje gaat? Welk criterium legt ze aan om speelgoed in een doos op zolder te zetten en de rest mee te geven in de doos voor Roemenië? Voor zover ik dit overzie zijn de sentimenten bepalend. Waar de meeste traantjes bij gestort zijn, figuurlijk of letterlijk, dat wordt het langst bewaard. Werkelijke waarde is van minder belang dan emotionele waarde: een duur computerspel waar weinig mee gespeeld is, wordt eerder weggegeven dan het enige beertje waarmee Jantje kon inslapen. De speen zonder welke hij ook niet kon slapen wordt overigens niet bewaard. Zonder enig pardon verdwijnt die in de prullenbak, zelfs met opluchting.

Beeld is trouwens bij de schifting belangrijker dan geluid of schrift. Niet de eerste brief of het eerste zelfgeschreven opstel worden in elk huishouden bewaard, niet een opname van de eerst uitgesproken woordjes, maar de foto's en de bewegende foto's, de video's dus. Er bestaat een akelig gezelschapsspelletje: wat haal je als eerste uit een brandend huis als de mensen veilig zijn? Tien tegen een dat na de poes de fotoalbums komen, vóór de levende planten en vóór de cd's. Ik had als kind een repeterende droom die ik de brandmerrie noemde. Al mijn acht broers en zusjes moest ik redden uit het heftig brandende huis met het rieten dak en mijn ouders waren weg en er kwam maar geen eind aan het redden. Aan fotoalbums was geen denken. Zo gruwzaam droom ik niet meer.

Na de eerste opruiming volgen er nog een aantal, waarbij de omvang van de materiële herinnering steeds wat indikt. Een ingrijpende schifting volgt als moeder overlijdt of vertrekt naar een bejaardenhuis. Het weleer genoeglijk baby'tje moet nu zelf zijn verleden gaan koesteren. Uit het ouderlijk huis komen enkele dozen verleden bij hem binnen. Ontroerd bekijkt hij de spullen en wanneer hij geen gigantische zolder heeft, gooit hij nu weg wat bij hem geen zoete herinneringen meer oproept: een kledingstukje, de meeste tekeningen, een plukje babyhaar. Over hoe de finale schifting van iemands jeugd, na de dood, verloopt, wil ik het niet hebben. Of heeft u de melktandjes van uw overleden opa soms nog?

Ook in de geschiedenis van een maatschappij, in de literatuur, in de kunst vindt voortdurend een schifting plaats ten bate van een overzichtelijk verleden. Wat blijft er na zo'n vijftig, honderd jaar over van de gigantische productie aan romans en gedichten? De eerste selectie van wat gedrukt gaat worden is al zwaar. Er wordt in dit overgealfabetiseerde land meer geschreven dan gelezen, en er is een grote groep die dingt naar druk. Wie boven de vijftig is, man en lelijk, heeft echter weinig kans om uitgegeven te worden. Wie rond de dertig is, vrouw, allochtoon en een doctorandustitel heeft, maakt in elk geval kans uitgenodigd te worden voor een gesprek.

Wanneer een boek dan in druk verschenen is, is het de vraag of het aandacht krijgt. Wordt het snel en goed gerecenseerd, springen de diverse media er bovenop, wint het prijzen, dan is de kans groot dat het boek niet alleen een toekomst, maar ook een verleden krijgt. Een werk dat als een prinsje is binnengehaald, zal mogelijk ook doordringen in de literatuurgeschiedenis, en daarmee een langere toekomst hebben. De stelling is niet omkeerbaar: wat toegejuicht is toen het binnenkwam, is niet verzekerd van een goede toekomst als literaire klassieker.

Wat bepaalt nu wat er na verloop van tijd blijft hangen van de literaire productie van een bepaald jaar? Wie zijn hier de moeders die weggooien wat niet meer bewaard hoeft te worden? Ik vrees dat de academische letterkundigen hier de macht in handen hebben. Alleen wanneer die de literatuur uit het verleden koesteren via studies, heruitgaven, commentaren, verplichte literatuurlijsten, heeft een titel kans om niet te verdwijnen in de vuilnisbak van overbodig verleden.

Toch is het onvermijdelijk dat er ook literatuur vergeten wordt. Om van het verleden te kunnen genieten, moet er weggegooid worden. Dat is de paradox van het behoud van het verleden. Alleen bij de alleroudste teksten is dat niet nodig. Uit de twaalfde eeuw is er zo weinig literatuur overgeleverd, dat alles van waarde is. Misschien moet ik zeggen: uit die tijd is door natuurlijke selectie al het meeste verdwenen. Voor de zeventiende eeuw geldt dat al niet meer. Literair-historici hebben voor die tijd enkele schrijvers gemunt die, ofschoon ze niet gelezen worden, wel een naam hebben: Vondel, Bredero, Huygens, Cats. Maar wie kent ook nog Gijsbrecht van Hoghendorp, Maria Petyt of Gilles Noozeman? Het heeft geen zin om elke schrijver en elke titel uit het verleden belangrijk te vinden, want er is fysiek gesproken te veel overgeleverd. Om in elk geval toch enkele mooie zaken uit het verleden in het heden mee te kunnen laten doen, moet de literair-historicus wel schiften.

Alleen is die literair-historicus beter af dan de moeder die een pop weggegooid heeft en daar later spijt van krijgt, omdat haar kleindochter zo graag een oude barbie gehad zou hebben. Eens weg altijd weg. Dat geldt niet voor de letterkundige. De Koninklijke Bibliotheek, de Universiteitsbibliotheken staan vol met vergeten verleden. Dat zijn de immense zolders waar de letterkundige zich af en toe in kan terugtrekken om iets nieuws ouds te voorschijn te halen.