De scheepsramp met de Berlin

Een van de eerste rampen die door het Nederlandse publiek op de voet gevolgd kon worden, was de tragedie die zich 95 jaar geleden, van 21 tot 23 februari 1907, afspeelde bij de pier bij Hoek van Holland. Ook zonder radio of televisie werd vrijwel live verslag gedaan van de gebeurtenissen. Een horde journalisten was in Hoek van Holland neergestreken om de kleinste details te noteren. De verslagen werden per telegram naar de redacties gestuurd.

De overtocht van de veerboot van Harwich naar Hoek van Holland was gewoonlijk een routineklus. Maar toen de Berlin, een dubbelschroefsstoomschip, laat in de avond van 20 februari 1907 de haven van Harwich verliet, was de zee reeds onrustig. De verwachting was dat de storm zou gaan liggen. Maar deze verwachting kwam niet uit. Met ruim twee uur vertraging naderde de veerboot rond half zeven in de ochtend de pieren van Hoek van Holland.

Een ooggetuige zag dat de Harwichboot keurig op de havenmond aanstuurde. Maar blijkbaar werd het schip door een grondzee uit zijn koers geslagen. Een ogenblik later werd de veerboot op de rechterpier gesmakt. Korte tijd na het vastlopen begon de boot te scheuren. Vanaf de wal zag men dat de twee schoorstenen langzaam naar elkaar toe overhelden en na een half uur tegelijk omlaag stortten. Binnen een uur was het gehele voorschip gezonken. Slechts een mastpunt bleef zichtbaar.

Onmiddellijk werd begonnen met het reddingswerk. Maar de boten die waren uitgevaren om de 90 passagiers en 53 bemanningsleden van het schip te halen, moesten onverrichter zake terugkeren. De storm veroorzaakte zulke hoge golven dat het onmogelijk was in de buurt van het schip te komen. Het enige wat restte was het bergen van de aangespoelde lijken.

Omdat er geen nauwkeurige passagierslijsten werden bijgehouden, was het gissen naar het precieze aantal opvarenden. Met zekerheid bevond zich wel een vermaard Duits operagezelschap aan boord dat een tournee in Engeland had afgesloten en op weg was naar Hamburg, waar voor 23 februari het volgende optreden gepland stond. Ook het verhaal van August Hirsch was gefundenes Fressen voor de sensatiepers. Dit vijfjarig jongetje, gekleed in een matrozenpakje, was alleen op weg van Londen naar Hamburg. De stationschef van Hoek van Holland had die morgen nog een telegram gekregen met het verzoek ervoor te zorgen dat de jongen op de goede trein gezet zou worden.

Op de dag van de schipbreuk werd er slechts één persoon gered. Voor de kloeke mannen van de stoomreddingsboot De President van Heel werd het al snel duidelijk dat hun nog een uitdagende klus wachtte: vanaf het strand was duidelijk te zien dat zich op het achterschip nog enkele personen bevonden. De ervaren ploeg – kapitein Jansen redde in veertien jaar tijd 336 mensenlevens – kon de Berlin niet dichter dan op tien meter naderen. ,,God, meneer'', zei Jansen die avond tegen een journalist, ,,dat krankzinnige gegil gaat je door merg en been, en maakt je gek bij de gedachte dat je er toch maar machteloos tegenover staat. Je mag nou eenmaal geen levens met levens koopen.''

Op de tweede dag werd een plan opgezet voor een allerlaatste reddingspoging. Hierbij zouden drie sleepboten voor de Berlin voor anker gaan en als golfbrekers fungeren. De reddingsboot kreeg dan de kans om een lijn naar het achterschip van de Berlin te schieten.

De opzet slaagde. Tot hun verbazing merkte de reddingsploeg dat zich niet vier à vijf personen aan boord van het wrak bevonden, maar nog veertien. Drie vrouwen durfden het niet aan om langs de gespannen lijn naar beneden te glijden. Toen de tijd begon te dringen, moest de lijn tussen reddingsboot en wrak verbroken worden.

In de daaropvolgende nachtelijke uren trokken enkele outsiders (geen officiële reddingswerkers) het oliegoed aan in een poging ook de laatste drie schipbreukelingen te redden. Met een sleepboot als golfbreker klaarden vier bemanningsleden van een eenvoudige blazerschuit de klus. Met gevaar voor eigen leven voeren ze langs de pier naar het wrak. Ze klommen aan boord, namen de drie Duitse vrouwen op hun nek en sleepten hen letterlijk de schuit in.

Dit was het laatste heuglijke nieuws dat de journalisten konden melden. Ze bleven nog een tijdje om de lezers te bedienen met sfeerimpressies. Maar toen het laatste van de 135 lijken aanspoelde, was de karavaan al weer verder getrokken.

J.L. Pisuisse, De Schipbreuk van de `Berlin'. (Amsterdam, 1907).