De onderste trede

Hoe lang nog doorgaan met gesubsidieerde banen in een tijd dat het probleem op de arbeidsmarkt vooral bestaat uit te veel onvervulbare vacatures? Het antwoord lijkt logisch. Schaf de kunstmatige werkgelegenheid af en elders zullen de openstaande vacatures vervuld worden. De oplossing heeft de charme van de eenvoud, maar daarmee is direct ook wel alles gezegd. Want was het maar zo simpel.

Sinds 1994 zijn er in totaal zo'n 1,2 miljoen banen bijgekomen. Het heeft ertoe geleid dat de werkloosheid aanzienlijk is teruggelopen. Zelfs de moeilijk bemiddelbare groep van de langdurig werklozen is flink geslonken. Maar voor deze categorie geldt bij uitstek: hoe minder er over blijven, hoe groter de inspanningen om de nog resterende werklozen aan het werk te krijgen. Hier kan niet zonder meer op de werking van de markt worden vertrouwd. De rol van de overheid bestaat er uit deze groep voor te bereiden op een reguliere baan.

Daarvoor is tijdens het eerste kabinet-Kok het fenomeen Melkertbaan in het leven geroepen, genoemd naar de toenmalige minister van Sociale Zaken die hiervoor als eerste verantwoordelijk was. Melkert wilde met zijn aanpak twee doelen dienen. Werklozen kregen hun voorbereiding op de reguliere arbeidsmarkt en tegelijk werden maatschappelijk nuttige taken verricht. Zo kregen basisscholen klassenassistenten en keerde op sommige tramlijnen de conducteur terug.

Vooral het tweede doel is op een gegeven moment gaan wringen. Want als het nut van een bepaalde baan in de publieke sector zo evident is, dan kan dat beter gewoon erkend worden door er een `normale' baan van te maken. Melkertbanen hebben de achterliggende jaren te vaak gefungeerd als officieuze uitbreiding van het personeelsbestand.

De begeleiding van langdurig werklozen naar de reguliere arbeidsmarkt dient echter voorop te staan. Sinds de Melkertbanen zijn omgedoopt in I&D-banen (instroom en doorstroom) is de oorspronkelijke doelstelling weer meer in zicht.

Van belang is dat dit soort banen nooit een doel op zich worden. Dat is niet goed voor de instellingen die er (goedkoop) van profiteren, maar ook niet voor de betrokken werklozen die in feite normaal werk verrichten door middel van een niet erkende baan.

De plannen die de onlangs ingestelde Raad voor Werk en Inkomen (bestaande uit werkgevers en werknemers) gisteren heeft gepresenteerd voor gesubsidieerde arbeid ademen een nuchtere niet-ideologisch bepaalde benadering van dit onderwerp. Aan de ene kant wordt voorgesteld door middel van loonkostensubsidies de groep werklozen zoveel mogelijk direct in een reguliere baan te krijgen. Tegelijkertijd erkennen de sociale partners dat een deel van de werkzoekenden zal zijn aangewezen op `beschermde werkgelegenheid'. Op de gedetailleerdheid van de regelingen voor de verschillende categorieën die de Raad voor Werk en Inkomen hanteert is ongetwijfeld het één en ander af te dingen. Maar het belangrijkste is dat alle partijen hun eigen verantwoordelijkheid erkennen voor het aan het werk helpen van de moeilijkst te bemiddelen groep werklozen.