De demagogie van Ad Melkert

Als regeringspartij is de PvdA medeverantwoordelijk voor de bezuinigingen op justitie en politie. Daarom zijn de opmerkingen van partijleider Ad Melkert over criminaliteitsbestrijding ongeloofwaardig. Bovendien zijn ze ondoordacht, vindt Josine Junger-Tas.

De recente opmerkingen van de lijsttrekker van de PvdA over de bestrijding van de criminaliteit zijn niet alleen een aanfluiting voor de traditie van nuchtere redelijkheid en pragmatisch humanisme die de sociaal-democratie altijd heeft gekenmerkt, maar zijn ook van een ergerlijke domheid.

In de eerste plaats geldt dat voor de uitspraak dat de criminaliteit per wijk in kaart moet worden gebracht. Dit gebeurt immers al lang in een groot aantal gemeenten en met name grote steden weten dat.

Bestudering van die wijkgegevens toont overigens dat de meeste criminaliteit gepleegd wordt in het uitgaanscentrum van de stad en in overige commerciële knooppunten. Zou Ad Melkert de burgers van een stad willen aanraden om die buurten voortaan te mijden? Ook is het niet zo dat een misdaadkaart het mogelijk maakt om veelplegers sneller en strenger te straffen, want zo'n kaart geeft inzicht in de gepleegde feiten per wijk, maar niet van de preciese plegers. Een tweewekelijkse verantwoording van de lokale politie en justitie naar de burgers over het gevoerde criminaliteitsbeleid, opdat deze daar dan direct invloed op kunnen uitoefenen, is ook zo'n loze kreet. Het lijkt eerder een recept voor lokale ruzies en interne strijd en zal van weinig invloed zijn op het niveau van de criminaliteit

De ontwikkelingen van de laatste acht jaar zijn wat dat betreft illustratief. Het is de periode dat de PvdA deel uitmaakt van de regering en waarin die regering praktisch altijd door dik en dun door de PvdA-fractie is ondersteund. De vraag naar meer politiemensen wordt in al die jaren steeds opnieuw gehoord, maar heeft nog altijd niet tot enig resultaat geleid. In plaats van meer politie zien we dat particuliere beveiligingsorganisaties als paddestoelen uit de grond schieten. In dit licht bezien is het dan ook al te gemakkelijk om twee maanden vóór de verkiezingen weer om meer politie te roepen.

Daarnaast is de jeugdpolitie de nek omgedraaid en men heeft nu de grootste moeite om dit specialisme opnieuw leven in te blazen. Ook het jeugdspecialisme bij het Openbaar Ministerie is naar de achtergrond gedrongen, terwijl de positie van de gespecialiseerde kinderrechters steeds sterker wordt bedreigd. In sommige rechtbanken is deze specialistische functie al verdwenen, als gevolg van een chronisch gebrek aan rechters.

Kijkt men naar de gang van een proces-verbaal door de hele strafrechtketen, dan blijkt het in het geheel geen uitzondering dat vanaf het moment van het opstellen van een proces-verbaal een jaar of langer verstrijkt vóór een jongere een straf krijgt opgelegd. Heeft Melkert wel eens nagedacht over het effect dat een dergelijke gang van zaken op de jongeren in kwestie zal hebben?

Bovendien heeft Justitie de laatste acht jaar aanhoudend en op letterlijk alles moeten bezuinigen. Hoewel er miljoenen zijn besteed aan het bouwen van nieuwe gevangenissen en gesloten jeugdinrichtingen, is het gevangeniswezen, dat eens tot het beste van de wereld behoorde, stelselmatig uitgekleed. Waar het maar kan probeert men het zogenaamde `sobere regime' in te voeren, waarbij gedetineerden de meeste tijd achter de celdeur verblijven. Dit is niet alleen het geval in de inrichtingen voor volwassenen, maar ook in de rijksinrichtingen voor jeugdigen, mede als gevolg van een schreeuwend personeelstekort. Daarnaast is de reclassering tot op het bot verschraald, zodat de echte risicogevallen niet worden bereikt en men zich beperkt tot de `goede' risico's. In dit licht bezien lijkt de plotselinge ongerustheid van Melkert over wat er aan de criminaliteit wordt gedaan weinig consequent en wel aan de erg late kant.

Maar de ergste demagogie wordt bedreven ten aanzien van het gewenste strafrechtelijk optreden. Het zou me niet verbazen als men hierbij de retoriek in de Verenigde Staten over dit onderwerp als voorbeeld gebruikt. Zo lijkt het pleidooi voor een verhoging met een derde van de strafmaat bij iedere herhaling op de bekende kreet Three strikes and you are out!, die aan de overkant van de Atlantische Oceaan zo populair is. Welke kwaliteiten Melkert ook mag hebben op het terrein van de economie en strategisch politiek inzicht, het komt me voor dat die talenten in ieder geval niet liggen op het gebied van criminaliteit en rechtshandhaving.

Daarbij vraag ik me af of hij wel eens heeft nagedacht over wat de samenleving uiteindelijk met het strafrecht wil bereiken. Natuurlijk moet er flink opgetreden worden en het is duidelijk dat herstel van de rechtsorde, tijdelijke onschadelijkmaking en vergelding belangrijke strafdoelen zijn. Maar het is even belangrijk zich te realiseren dat wij als samenleving nog heel lang met die gestraften door zullen moeten gaan: wie wel eens in een jeugdinrichting of gevangenis komt, ziet namelijk meteen dat daar overwegend (heel)jonge mannen zitten en die komen daar op enig moment ook weer uit!

Wetenschappelijk onderzoek heeft keer op keer aangetoond hoe funest de invloed van een detentie op het leven van ex-gedetineerden is. Niet alleen zijn er geen positieve effecten in termen van resocialisatie, maar hun kansen op arbeid en het verkrijgen van een minimaal redelijke sociaal-economische positie in de samenleving worden sterk gereduceerd.

Het adagium `eens een dief altijd een dief' bepaalt toch in sterke mate de maatschappelijke reactie en wat dit betekent voor de neiging van ex-gedetineerden om een criminele loopbaan af te zweren, laat zich gemakkelijk raden. Men behoort zich bij strafrechtelijke interventies dan ook altijd af te vragen of ze zinvol zijn, dat wil zeggen of ze ook nog enig toekomstig maatschappelijk nut hebben.

Zonder detentie als ultimum remedium uit te sluiten, zou men moeten zoeken naar effectieve programma's die zo veel mogelijk buiten de inrichting kunnen worden toegepast, zodat ook criminele besmetting vanuit gevangenis of jeugdinrichting kan worden voorkomen. In het buitenland wordt al veel langer geëxperimenteerd met programma's waarvan de effectiviteit in onderzoek is aangetoond. Aan een dergelijke benadering zijn natuurlijk een aantal voorwaarden verbonden.

Alvorens de overheid zo'n programma inzet en financiert moet zij er zeker van zijn dat het goed onderbouwd en behoorlijk uitgevoerd is en dat het de doelen bereikt die er door gesteld zijn. Ook het intensieve toezicht van de reclassering dat met de uitvoering gepaard gaat, zou extra gefinancierd moeten worden. Kosten-batenanalyses hebben echter aangetoond dat het inzetten van dergelijke programma's aanzienlijk goedkoper is dan de bouw en exploitatie van penitentiaire- en jeugdinrichtingen. Een dergelijke benadering past bovendien heel goed in het streven naar een rationeler strafrechtbeleid en een grotere verantwoordingsplicht van de overheid naar de burgers toe ten aanzien van de kosten en opbrengsten van specifiek beleid.

Het is jammer dat Melkert op dit terrein niet wat meer toekomstgerichte inventiviteit en originaliteit heeft kunnen opbrengen, maar zich heeft laten verleiden tot platte demagogie die alleen maar de Pim Fortuyns in ons land in de kaart speelt en de sociaal-democratie onwaardig is.

Josine Junger-Tas is hoogleraar Jeugdcriminologie Université de Lausanne en ook verbonden aan het E.M. Meijersinstituut aan de Rijksuniversiteit Leiden.