Chinezen in Indonesië beleven cultureel reveil

De Chinese minderheid van Indonesië is na ruim dertig jaar gedwongen assimilatie weer zichtbaar geworden, maar blijft maatschappelijk kwetsbaar. Een kijkje in de wereld van `Imlek' en de `klengteng'.

De aankondiging stond niet in haar tekst en het leek even of zij handelde in een opwelling. President Megawati Soekarnoputri sprak zondag in de Jaarbeurs van Jakarta tweeduizend Chinese Indonesiërs toe tijdens de nationale viering van het nieuwe maanjaar 2553. ,,In het belang van onze saamhorigheid als burgers en als natie'', zei ze, ,,verklaar ik hierbij Imlek-Nieuwjaar een nationale feestdag''. Zij kreeg een staande ovatie.

Op de voorste rij klapte Amien Rais, voorzitter van het Volkscongres, mee. De moslimpoliticus droeg voor de gelegenheid een blauw zijden hemd met opstaande kraag en Chinese motieven. Die uitmonstering was ongetwijfeld even bewust gekozen als plaats en tijdstip van Megawati's mededeling. Nog twee jaar en dan gaat Indonesië weer naar de stembus. Etnische Chinezen zijn in de minderheid, maar zeer ondernemend en cruciaal bij de fondsenwerving.

De impulsiviteit van het besluit mag dan schijn zijn geweest, het applaus in de Jaarbeurs klonk spontaan. Imlek, de in Indonesië gebruikelijke naam voor het begin van het nieuwe maanjaar, is voor veel Chinezen de belangrijkste feestdag van het jaar. Im is Hokkien-Chinees voor maan en lek betekent kalender. Nazaten van immigranten uit het Zuid-Chinese Fukien vormen de meerderheid van de naar schatting 7 miljoen `overzeese Chinezen' in Indonesië en onder de nog Chinees sprekenden is Hokkien het meest gebezigde dialect. Tijdens het bewind van generaal Soeharto (1967-1998) stond de Chinese minderheid onder zware druk haar culturele identiteit op te geven. Menigeen nam een Indonesische naam aan en omhelsde christendom of islam. Toch houdt een grote groep - statistieken zijn niet voorhanden - zich nog aan de confuciaanse maankalender.

De leer van Confucius (551-479 v. Chr.) heeft vooral betrekking op de moraal en maatschappelijke en staatkundige vraagstukken, maar werd onder Chinezen in Indonesië een volksreligie. Die ontwikkelde zich na de Tweede Wereldoorlog tot een heuse kerk, de agama konghucu ('confuciaanse religie'), met een god (Tian, de hemel), een profeet (Confucius), heilige boeken, kerkgebouwen (litang) en priesters (haksu).

Soeharto beschouwde de Chinese minderheid als een vijfde kolonne van de Volksrepubliek China die hij voor de aanstichter hield van de mislukte linkse coup van 1965. In 1979 verloor de `confuciaanse religie' in het kader van de officiële assimilatiepolitiek de status van erkende godsdienst. De aanhangers, in 1976 0,7 procent van de Indonesiërs, werden door het ministerie van Godsdienstzaken voortaan opgeteld bij de boeddhisten. Dit was geen verbod - dat zou in strijd zijn met de grondwettige vrijheid van godsdienst - maar konghucu mocht voortaan alleen nog in besloten kring worden gepraktiseerd. De leer mocht niet op scholen worden onderwezen en huwelijken volgens de konhucu-rite werden niet langer ingeschreven door de burgerlijke stand. Het proces dat in 1996 werd aangespannen door een konghucu-echtpaar uit Surabaya tegen de directeur van de plaatselijke burgerlijke stand dient inmiddels voor de Hoge Raad. Matakin, de Raad van de Confuciaanse Religie in Indonesië, is ingenomen met Megawati's aankondiging dat Imlek een nationale feestdag wordt, maar hecht meer waarde aan een formele erkenning van konghucu.

Imlek-Nieuwjaar wordt niet alleen gevierd door de confuciaanse gemeenten, maar ook door aanhangers van de Sam Jiao ('drie religies'), een vermenging van confucianisme, taoisme en boeddhisme, die in Indonesië uitsluitend door Chinezen wordt aangehangen. In de klenteng (Chinese tempels) branden de gelovigen wierookstokjes voor de beeltenissen van Confucius, Lao Tse, Boeddha en verder een hele reeks lokale heiligen en goden. Op de eerste en de vijftiende van de eerste maanmaand brengt men een bezoek aan de tempel, waar gigantische kaarsen staan opgesteld. Op de vijftiende worden alle godheden van de tempel in processie door de omliggende straten gedragen. Soeharto's beruchte presidentiële instructie uit 1967 verbood alle publieke uitingen van de Chinese cultuur, ook de optochten met Imlek. President Abdurrahman maakte dit decreet begin 2000 ongedaan en in dat jaar verschenen voor het eerst weer dansende leeuwen en draken in de straten van Jakarta.

Wahid zette de deur open voor een Chinees cultureel reveil. Begin maart 2001 werd het verbod op de invoer van drukwerk in de Chinese taal en in Chinese karakters ingetrokken, volgens de toenmalige minister van Handel en Industrie om ,,de economische samenwerking met China en Taiwan te stimuleren en de goederenstroom te vergemakkelijken''. Sinds vorig jaar zendt de commerciële zender Metro TV dagelijks nieuwsbulletins uit in het Mandarijn-Chinees. En vorige week wedijverden de staatstelevisie en de inmiddels acht commerciële stations in programma's met Chinese muziek, drakendansen en waarzeggers om luister bij te zetten aan de viering van Imlek.

Dit culturele reveil heeft evenwel geen einde gemaakt aan vooroordelen en discriminatie. De anti-Chinese gevoelens bij `autochtone' Indonesiërs hebben diepe wortels, die reiken tot in de koloniale periode, toen de Nederlandse autoriteiten meenden de `inlanders' in bescherming te moeten nemen tegen `Chinese woekeraars'. Naar schatting 65 procent van de economie wordt gecontroleerd door een handjevol Chinese tycoons die goede zaken deden met de familie Soeharto en toen de crisis uitbrak met hun kapitaal de benen namen naar Singapore of Hongkong. Toch bestaat de overgrote meerderheid van de Chinese Indonesiërs uit nijvere, maar kleine sappelaars.

In 1999 stemden de meeste etnische Chinezen op de nationalistische PDI-P van Megawati, die zich aandiende als verdraagzaam jegens minderheden. Intussen is de Chinese gemeenschap diep teleurgesteld. In de media en de cultuur is tegenwoordig openheid troef, maar de politiek heeft geen einde gemaakt aan discriminatie. De verplichting voor etnische Chinezen om bij aanvragen van een identiteitskaart of paspoort een bewijs van Indonesisch staatsburgerschap te overleggen is in 1999 ingetrokken. Toch wordt dat document door ambtenaren, die reppen van `uitblijvende uitvoeringsbepalingen', nog steeds verlangd. Het stereotype van de `rijke Chinees' is een vrijbrief om deze groep als melkkoe te beschouwen.

Megawati's jongste Imlek-verklaring wijst er op dat ze de dreigementen uit Chinese hoek om in 2004 op een andere partij te stemmen uiterst serieus neemt. Frans H. Winarta, advocaat en actief lid van de Anti-Discriminatie Beweging (GANDI), een van de zeer weinige pressiegroepen van etnische Chinezen: ,,We zouden massaal in de politiek moeten gaan, net als de Chinezen van Singapore en Maleisië, want als we niet voor onszelf opkomen, doet niemand het.''