Zonder pistool ben je niets

Frankie Koehler is een koelbloedige moordenaar, dat meest angstaanjagende fenomeen van allemaal. Vanaf zijn dertiende staat hij alleen in het leven, het rauwe bestaan van de onderwereld in het New York van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Op zijn vijftiende neemt hij dienst in het leger, hij deserteert, pleegt een roofoverval, wordt gepakt. Zodra hij weer op vrije voeten komt, schiet hij in leegstaand gebouw een leeftijdgenootje dood. Hij komt vrij in 1950, pleegt een gewapende overval en verdwijnt ruim elf jaar in de gevangenis. Na zijn vrijlating bouwt hij een ogenschijnlijk normaal bestaan op; hij trouwt en vindt werk in de bouw. In 1970 schiet hij na een onbenullige ruzie in koele bloede twee kennissen dood. De beide mannen zijn doorzeefd met kogels en een van hen heeft de sporen van een beet in zijn schouder. Koehler vlucht en verdwijnt, naar het schijnt voorgoed.

Dat is de cold case die het hart vormt van het korte relaas van Philip Gourevitch, de Amerikaanse journalist die enkele jaren geleden zijn naam vestigde met een ontzagwekkend boek over de massaslachtingen in Rwanda, We wish to inform you that tomorrow we will be killed with our families (besproken in Boeken 30.04.99) Op het eerste gezicht is het een weinig opwindend verhaal, dat de meeste Amerikaanse beoefenaars van het true crime genre onopgemerkt aan zich voorbij zouden laten gaan. De slachtoffers waren mannen die op het randje van de onderwereld verkeerden, over de identiteit van de moordenaar twijfelde niemand en van een intrigerend motief kon geen sprake zijn; gewoon een uit de hand gelopen ruzie. De enige vraag die overbleef was of Frankie Koehler nog in leven was. En eind jaren negentig stelde niemand zich die vraag nog, behalve één man, de New Yorkse politieman Andy Rosenzweig, die een van de twee doodgeschoten mannen goed gekend had.

In januari 1997 rijdt Rosenzweig langs het gebouw waarin een van de slachtoffers ten tijde van de moorden zijn restaurant had, en aangespoord door zijn herinneringen aan de onopgeloste zaak, slaat hij er de dossiers nog eens op na. De conclusie dat Frankie Koehler dood moet zijn, blijkt gebaseerd op onbetrouwbare getuigenissen en Rosenzweig gaat op onderzoek uit. Na een paar valse starts heeft hij plotseling beet. Koehler blijkt een nieuw leven te zijn begonnen aan de oostkust van de Verenigde Staten; hij blijkt te zijn getransformeerd tot de archetypische behulpzame buurtgenoot die voor iedereen een vriendelijk woordje overheeft en waarvan niemand gedacht zou hebben dat hij, enzovoort. Maar wanneer Koehler na een lange treinreis in New York gearresteerd wordt op het station, blijkt hij een geladen pistool op zak te hebben, dat hij van plan was te gebruiken ook.

Net wanneer je je begint af te vragen waar Gourevitch heen wil met zijn verhaal, gebeurt er iets onverwachts: geen nieuwe wending, geen nieuwe verdachte, maar een spraakzame moordenaar. In de gevangenis begint Koehler te praten, tegen iedereen die het horen wil: tegen zijn ondervragers, tegen Rosenzweig, tegen Gourevitch, tegen zijn prachtige neergezette, cynische advocaat, in wiens `peculiar moral universe' moordenaars de slachtoffers zijn: `They need love also.' Koehlers moordlust lijkt te zijn weggezakt, hij is een uitgebluste oude man, die de ruïne van zijn leven probeert te overzien. Van zijn gevreesde koelbloedigheid is niet veel meer over; de zware jongen in hem moet het opnemen tegen de priester in zijn eigen hoofd, die genoegdoening eist. `'That priest is a dangerous guy', he said. `Or he's the best guy I got. One or the other.'

Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat het juist de zinloosheid van die dubbele moord in 1970 is, die de kern van A Cold Case vormt. Wat bewoog Koehler? Gourevitch beschrijft een liefdeloos bestaan dat uit een angstwekkende leegte bestaat, waarin geweld tot een levensvoorwaarde wordt. Zonder een pistool op zak is Koehler helemaal niets. Gourevitch laat Koehler uitgebreid aan het woord, maar de schrijver blijft voortdurend op zijn qui vive; er is iets permanent verdachts aan de nadenkende woorden van een man die dingen op zijn geweten heeft die ieder moreel besef uitsluiten. Meent Koehler wat hij zegt? En heeft de priester de moordenaar er helemaal onder? Heeft Koehler meer medelijden met zichzelf dan met zijn slachtoffers? En passant schetst Gourevitch met een paar streken een haarscherp beeld van een blanke New Yorkse onderwereld, die nu nagenoeg verdwenen is; behalve een monster is Koehler ook een relikwie.

A Cold Case is een morele vertelling zonder een opzichtige moraal, geschreven in de strakke, geserreerde stijl die zo bij The New Yorker hoort. Mooi onnadrukkelijk plaatst Gourevitch aan het einde van zijn boek de oprechte politieman Rosenzweig tegenover de moordenaar Koehler. Hij is afkomstig uit eenzelfde milieu, maar iets in hem drijft hem al vroeg de kant van de wetshandhaving op; hij is het toonbeeld van de goede politieman, die de erecode van het corps in zijn genen draagt en die niet rust voor hij een zaak heeft opgelost, ook al kost het hem jaren. Het zijn mannen als Rosenzweig die moordenaars als Koehler dwingen rekenschap van hun daden af te leggen. Wat de politieman beweegt, is in laatste instantie bijna net zo raadselachtig als de gewelddadige impulsen in Frankie Koehler. Wat houdt hem aan de gang, in weerwil van alle mislukkingen, het cynisme van zijn collega's en de corruptie? Net zoals Gourevitch zich in het geval van Koehler nergens verliest in vergoelijkende verklaringen, zo weerhoudt hij zich wat Rosenzweig betreft van romantische bespiegelingen over diens morele superioriteit. Het mysterie van goed en kwaad blijft bestaan; Gourevitch heeft er een erg mooi boek over geschreven.

Philip Gourevitch: A Cold Case. Farrar, Straus and Giroux, 184 blz. € 31,02.

De Nederlandse vertaling verschijnt deze zomer bij uitgeverij Atlas.