Trouw tot aan de dood

`Louis Armstrong koppelen aan de Sex Pistols: je moet er maar op komen' tot op het laatst maakte Joey Ramone muziek vol levenslust. Deze week verschijnt de cd die hij kort voor zijn overlijden opnam.

In februari 1999 zag ik hem voor het laatst. Joey Ramone was naar rockbunker The International gekomen om een handvol Ramones-favorieten te zingen. Hij moet al geweten hebben dat hij ongeneeslijk ziek was, maar het nummer Blitzkrieg bop met de onsterfelijke kreet ,,hey ho, let's go'' kwam er nog even energiek uit als ooit tevoren. De Ramones waren in 1996 uit elkaar gegaan, na twintig jaar en 2.263 optredens waarbij ze hun archetype van punkrock naar alle uithoeken van de wereld hadden gebracht. Joey trok zich terug om aan een solo-album te werken, en de overige groepsleden speelden soms onder de naam The Remains. Door een gelukkig toeval was ik in New York toen ze weer eens bij elkaar kwamen, en Joey was er ook. Met zijn slungelige gestalte in een vormeloze trui, liet hij zijn lange zwarte lokken nonchalant over de microfoon hangen. Na zijn korte optreden kon hij het niet laten een kwinkslag te maken naar zijn oude band. ,,Ladies and gentlemen: The Ra-mains!'' Het waren de laatste woorden die ik hem heb horen zeggen.

De dood van Joey Ramone greep mij dieper aan dan alle andere rockdoden, inclusief John Lennon en Bob Marley. Geen popmuzikant was zo doorslaggevend geweest voor de manier waarop ik rock & roll beleefde, na het punktijdperk waarin de Ramones het voorbeeld hadden gegeven voor de opwindende muziek van de Sex Pistols, The Clash en in Nederland Ivy Green, Panic en Tröckener Kecks. In de dagen na 15 april vorig jaar, de dag waarop Joey Ramone in een New Yorks ziekenhuis bezweek aan de gevolgen van lymfeklierkanker, liep ik met mijn ziel onder mijn arm. Waarom was de dood van Joey Ramone geen voorpaginanieuws? Waarom kwam er geen uitgebreid eerbetoon op televisie, en waarom was het tragische sterfgeval van de drummer van Bløf enkele weken eerder zoveel breder uitgemeten in de media?

Grijsgedraaid

Iets trok me die week naar het concert van de Tom Tom Club in Paradiso. In mei 1977 hadden drummer Chris Frantz en bassiste Tina Weymouth daar hun Nederlandse debuut gemaakt met hun toenmalige band Talking Heads, in het voorprogramma van de Ramones. Het was de eerste keer dat ik Joey, Johnny, Dee Dee en Tommy live zag spelen, nadat ik een jaar eerder hun debuut-lp met punkklassiekers als Beat on the brat en Now I wanna sniff some glue grijs had gedraaid. Voor het eerst hoorde ik gitarist Johnny Ramone zijn one-two-three-four aftellen, en zag ik hoe de stekeblinde Joey Ramone het hele optreden aan zijn microfoonstandaard gekluisterd bleef. Van het concert van Talking Heads herinner ik me vooral de grote schrikogen van Tina Weymouth, en de onverstoorbare manier waarop ze het stuwende basloopje uit Psycho killer speelde. Bijna 25 jaar later stond ze er weer, en nam Chris Frantz het op zich om vanachter zijn drumstel iets over Joey Ramone te zeggen. ,,Joey, als je dit hoort, het volgende nummer is voor jou'', zei hij schuin omhoog naar het gebrandschilderde raam met het onderschrift Soli Deo Gloria. Ik weet het, een punkrocker mag niet huilen. Maar op dat moment liet ik die ene onstuitbare traan de vrije loop. Welkom thuis, Joey.

Boegbeeld

Keer op keer stond hij daar, één voet vooruit en de ander dwars onder het lange lichaam. Joey Ramone, geboren in 1951 als Jeffrey Hyman, was het onwankelbare boegbeeld van de punk. Gedreven door zijn liefde voor de sixties-pop van The Ronettes en The Crystals, maar ook de ruige rock van The Stooges en de New York Dolls, bedacht hij in 1974 de blauwdruk voor een band waarin alle leden Ramone zouden heten en waarin iedereen hetzelfde uniform van gympies, gescheurde spijkerbroek en leren motorjack moest dragen. Met hun harde drie-akkoordenrock en karikaturale teksten over tienerliefde en lijmsnuiven werden de Ramones de huisband van de New Yorkse undergroundtent CBGB's, het bastion van een bloeiende new wave-scene die later ook groepen als Televison, Blondie en Talking Heads voortbracht. De Phil Spector-productie Rock'n'roll high school (1980) was zo dicht als de Ramones ooit bij een bonafide pophit kwamen. De Ramones bleven de helden van de marge, een underground waar ze maar niet uit op konden krabbelen. Gaandeweg werden de teksten minder karikaturaal, en waagde Joey Ramone zich aan commentaar op het presidentschap van Ronald Reagan (Bonzo goes to Bitburg) en het pleidooi van Tipper Gore in het Amerikaanse Congres voor waarschuwingsstickers op rock- en rapplaten (Censorshit).

Too Tough To Die, was de veelzeggende titel van een Ramones-album uit 1984. De Engelse hardrockgroep Motörhead vatte het tegendraadse karakter van de meest onuitroeibare onder de punkbands samen in het nummer R-A-M-O-N-E-S: ,,Black leather, knee-hole pants/ Can't play no high school dance.'' Massa-acceptatie diende zich pas op het allerlaatste moment aan, toen de Ramones in 1996 werden uitgenodigd om deel te nemen aan de grootschalige Lollapalooza-tournee. Tegelijk verscheen het afscheidsalbum Adios Amigos, op een moment dat Dee Dee de groep al enkele jaren had verlaten en Joey en Johnny elkaar niet meer konden luchten of zien.

Niettemin bleef Joey de Ramones trouw tot aan zijn dood. Zijn solo-album, op papier een gruwel voor punkpuristen die dachten dat ze in 1977 hadden afgerekend met de zelfgenoegzaamheid van egocentrische rocksterren, bleef nog bijna een jaar op de plank. Deze week verschijnt Joey Ramone's zwanenzang Don't Worry About Me, een passende titel voor een album dat niets dan optimisme en levenslust uitstraalt. Gitarist en producer Daniel Rey hielp hem bij het fysiek moeilijke proces om de zangpartijen in etappes op te nemen, telkens als Ramone genoeg kracht bezat om de gang van enkele honderden meters naar Reys huis in de New Yorkse wijk The Bowery te maken. De rauwe gitaar-, bas- en drumbegeleiding stond er snel op, met hulp van punkveteranen Captain Sensible van The Damned, Frank Funaro van The Dictators en oudgediende drummer Marky Ramone. Aan de kenmerkende, lijzige zang werd de grootste zorg besteed en door de sterke songs kan Don't Worry About Me de vergelijking aan met de betere Ramones-albums.

In het openingsnummer haalt Joey Ramone een truc uit die het punkhart sneller doet kloppen. Zijn uit duizenden herkenbare lezing van Louis Armstrongs What a wonderful world klinkt uit boven een Sex Pistols-achtige, aan Anarchy in the UK refererende begeleiding. Armstrong koppelen aan de Pistols: je moet er maar op komen. Ramone's liefde voor het rockverleden wordt daarna nog eens aangehaald in een prachtig ruwe versie van The Stooges' 1969. In negen zelfgeschreven nummers doet hij dapper uit de doeken wat hem in zijn laatste levensjaren heeft beziggehouden. Maria Bartiromo, een ode aan een favoriete tv-presentatrice, verhaalt over de beurskoersen die hij tot zijn laatste snik is blijven volgen. Joey Ramone en beurskoersen? Aan verrassing geen gebrek, want zelfs over zijn ziekbed oppert hij de zonnige gedachte dat het hem de kans gaf om nog eens interessante nieuwe medicijnen uit te proberen. ,,Sitting in a hospital bed'', zingt hij met snoeiharde motorzaaggitaren in I got knocked down (but I'll get up), ,,taking drugs so I can forget.'' En over zijn ziekte: ,,It really sucks. I want my life!'' Het mocht niet zo zijn, maar wat een troostrijke gedachte dat Joey Ramone ons tot op het laatst wilde laten delen in zijn liefde voor het leven.

Joey Ramone: Don't Worry About Me (Sanctuary/BMG)