Schrijven is geen lolletje

Het nieuwe boek van Louis Ferron speelt zich af te midden van de Achterhoekse adel. Hij bewondert hun gebondenheid aan tradities en grond. ,,Met moderne middelen probeer ik achteruit te streven'', zegt de schrijver.

Vanuit zijn huis in een buitenwijk heeft Louis Ferron bijna hetzelfde uitzicht op Haarlem als Ruysdael indertijd, toen hij zijn `Gezicht op Haarlem' schilderde. Ferron verbeeldt zich graag dat de schildersezel van Ruysdael precies op dat stuk van het blekersveld stond waar veel later zijn huis zou worden gebouwd. Met Haarlem heeft hij een haat-liefde-verhouding. Hij woont er, met een aantal onderbrekingen, al bijna zijn hele leven. Hij laat zich er door inspireren en geeft er dan vervolgens op een vaak nogal geestige manier op af, in romans als De walsenkoning (1993), Een aap in de wolken (1995) en De oefenaar (2000). Naast deze autobiografisch getinte en streekgebonden schelmenromans, schrijft hij een zwaarder en gedragener soort proza, dat je historisch kunt noemen, naar eigen zeggen geïnspireerd door Thomas Mann. In deze zogeheten Duitse romans, zoals Gekkenschemer (1974), Het stierenoffer (1975) en Turkenvespers (1977) doet hij een grotere greep en probeert hij iets van de geschiedenis zichtbaar te maken, vaak voor of ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.

Zijn nieuwe roman, Het overspelige gras, is noch Haarlems noch helemaal Duits. Ferron voert ons deze keer mee naar het coulissenlandschap van de Achterhoek en laat ons kennismaken met de adel, de textielbaronnen zoals ze smalend worden genoemd: de Hardenbergs, de Van Nispens en Latums en de Van Kessenichs. Maar vooral zoomt hij in op de familie Van Lookeren en haar ietwat smoezelige familiegeheimen. Een landgoed genaamd Enghuizen, een omgehakte olm, een dienstknecht, Eduard, de jongste stamhouder van de Van Lookerens en een Duitse officier spelen belangrijke rollen in de familiegeschiedenis die Ferron ons hier voorschotelt en die zich vooral tijdens de oorlog afspeelt. Aan drama geen gebrek, aan humor trouwens ook niet.

Ferron beschouwt zichzelf, zoals wel meer schrijvers, als een gemankeerde componist. Bij gebrek aan muzikaal talent laat hij zijn compositorische gaven los op taal. Hij is pas tevreden over een nieuw boek als er naar zijn idee een literaire symfonie of sonate is ontstaan. Op zijn zestigste kan hij terugzien op een oeuvre van bijna veertig titels, dat een paar maanden geleden bekroond werd met de Constantijn Huygensprijs. Het omvat gedichten, novellen, beschouwingen, toneelstukken en romans. Op de vraag of hij tevreden is over zijn werk tot dusver, antwoordt hij met een hartgrondig nee. Het is de aloude schrijversklacht. Hij schreef dat ene boek nog niet, de briljante sluitsteen op het oeuvre dat alle andere boeken verklaart en dat trouwens ook alle andere boeken in één klap overbodig zou maken. Bovendien bekruipt hem met het ouder worden steeds meer het angstige gevoel dat er te weinig tijd overblijft om de vele plannen te verwezenlijken die hij nog heeft. Hij voelt zich helemaal niet oud, maar hij is het natuurlijk wel al een beetje en dat houdt hem meer bezig dan hem lief is.

,,Neem nou dat hondje'', zegt hij, wijzend op het onvermoeibaar door het huis dravende dier. ,,Ik heb het pas gekocht met het rare idee dat dat wel mijn laatste hondje zal worden. Zo'n beest wordt een jaar of twintig, dus reken maar uit. Inmiddels ben ik wel vastbesloten om hem te overleven, zodat ik minstens tachtig jaar zal moeten worden, want, om de Mattheus Passie te citeren: `Ich will mein Jesus selbst begraben'. Dan is Jesus dus Levi, want zo heet de hond, Levi Leipheimer, naar een Amerikaanse wielrenner.''

Hebt u met Het overspelige gras geen gooi gedaan naar het ultieme boek?

,,Ik probeer dat elke keer wel, maar wat er uitkomt is op een of andere manier altijd minder dan wat mij voor ogen stond. Al hoop ik natuurlijk wel dat deze roman duidelijk maakt wat ik heb willen zeggen. Ik liep er al een jaar of tien mee rond. Een tijdlang had ik een stacaravan in de Achterhoek, in de buurt van kasteel Slangenburg. Daar kwam ik, tijdens lange wandelingen, op de gedachte om eens een boek te schrijven over de kleine landadel.''

Wat interesseert u in de adel?

,,Ik heb bewondering voor de opvattingen die de adel meent te hebben. Gebondenheid aan tradities. Gebondenheid aan de bodem. Dat is allemaal in verval. De landhuizen van weleer zijn nu conferentiecentra, er zijn overheidsdiensten in gevestigd, of ze zijn opengesteld voor het publiek. Ik vind dat jammer. Liever zag ik ze bewoond door de oorspronkelijke eigenaren, die mij desnoods met een schot hagel van het erf zouden mogen jagen. Ik denk met heimwee aan die tijd terug, waarin de wereld nog zoveel overzichtelijker leek dan nu. Ik ben niet zo dol op deze tijd. Ik vind het een grote bende. De grootste schreeuwers krijgen het grootste gelijk. Ik ben er helemaal tegen. Of die adellijke tijd wel zo prettig was voor iedereen, is natuurlijk nog maar de vraag. Ik geloof natuurlijk vooral in een zelfgeschapen verleden waarin ik het voor het zeggen heb. Je moet mijn verlangen naar vroegere tijden dan ook vooral zien als literaire nostalgie. De Achterhoekse textielbaronnen komen er bij mij trouwens niet zo gunstig af. Dat is nieuwe adel, de upstarts die via huwelijken en geld een positie hebben weten te veroveren. Deze neo-adel, die hier vooral vertegenwoordigd wordt door Eduard, een opportunistische puber, zet ik af tegen wat ik de geestesadel noem: de Pruisische, in de persoon van Tresckow, een landjonker.''

Had u zelf van adel willen zijn?

,,Nee hoor. Ik ben van het gewone volk en daar ben ik trots op. Maar ik had een diepe behoefte om de Pruisische mentaliteit te onderzoeken, door in de huid te kruipen van zo'n landjonker. Ik heb veel opgestoken van B-auteurs als Ernst Wiechert en Benno von Mechow, boeken die niemand kent, maar waarvan ik heb gesmuld. De steeds terugkerende bijlscène in mijn boek heb ik bijna letterlijk aan Wiechert ontleend, zij het dat ik er hier een draai aan geef. Pruisen heeft de naam dat er starre, militaire en bureaucratische denkpatronen op na werden gehouden. Maar dat is maar één facet van de zaak. Iets anders is de trouw, het plichtsbesef van de kleine landadel, die probeerde te leven naar de categorische imperatief van Kant. Geen cent te makken hebben en je toch houden aan wat je vanwege je afkomst verplicht meent te zijn. Trouw aan de vorst, trouw aan je geweten. Dat zijn geen slechte eigenschappen. Het verzet tegen Hitler was Pruisisch georiënteerd, dat wil ik ook wel even gezegd hebben.''

Het loopt intussen niet goed af met de landjonker...

,,Het loopt met niemand goed af, geloof ik, zoals mijn lezers wel van me gewend zijn. Maar het is waar. Met al zijn plichtsbesef redt hij het toch niet. Hij is een notoire homoseksueel, maar geeft daar geen gevolg aan omdat dat hedonistisch zou zijn en in strijd met de familieprincipes. Door zichzelf iets te ontzeggen hoopt hij een hoger inzicht te bereiken. De conclusie moet wel zijn dat je niet veel hebt aan zoveel zelfbeheersing in deze wereld. Maar ik spreek ook geen moreel oordeel uit in mijn boek. Ik laat alleen maar bepaalde moraliteiten botsen.''

De titel is ontleend aan het gedicht `Aanzegging' van Ida Gerhardt, over een misoogst, waarin op sombere toon een graantekort wordt aangekondigd. Het enige wat nog op de akkers wil groeien is overspelig gras.

,,Ik vind dat een prachtig gedicht. Ida Gerhardt is de zangeres van de Achterhoek geweest. Als je dat met een inmiddels verboden uitdrukking mag zeggen: zij was in dat opzicht een Blut und Boden-dichteres. Zij schreef over de verbondenheid van de mens met de aarde. Ik vind dat nog altijd indrukwekkend. Zij is een goede stemvork voor mij, zoals J.C. Bloem dat ook is. Zij zetten voor mij een bepaalde toonsoort, een weemoedige. Net als zij wil ik liefst alles bij het oude houden. Zo'n roman over de adel is voor mij een manier om mijn conservatisme enigszins te bevredigen.''

Het zijn vooral buitenlandse schrijvers die u tot voorbeeld dienen: Thomas Mann, Rilke, Hölderlin, Céline, Shakespeare, Celan, om maar eens wat namen te noemen. Hebt u behalve Gerhardt en Bloem ook Nederlandse geestverwanten?

,,Soms lees ik nog wel eens een Vestdijk, die ik bewonder om zijn enorme psychologische inzicht. Maar ik moet zeggen dat ik mij zijn boeken liever herinner dan dat ik ze lees, omdat ik bang ben er te veel door beïnvloed te worden. Met Hermans deel ik een zwartgallig wereldbeeld. Hij heeft belangrijke boeken geschreven, maar stilistisch vind ik hem zwak. Vroeger heb ik mij wel laten inspireren door Mulisch. Die mythologiseringsdrift van hem herken ik wel en zijn belangstelling voor het Duitse taalgebied natuurlijk ook. Maar wat stemming en mentaliteit betreft lopen we ver uiteen. Mulisch vindt zichzelf een Goethe. Ik ben veel liever een Heine. Goethe is mij te onaantastbaar, te klassiek. Heine is een volbloed romanticus, die hele schrille effecten zet naast weemoedige en sentimentele. Een onevenwichtige schrijver, maar bedoeld en gezocht onevenwichtig.''

Hebt u enig zicht op de hedendaagse Nederlandse literatuur?

,,Vorig jaar heb ik in de jury van zo'n grote prijs gezeten. Daardoor heb ik honderden boeken moeten lezen. Na drie bladzijden wist ik het meestal al. Het is veel verslaggeving van het dagelijks leven of goedkope ironie. Veel moderne nikserigheid ook, zij het soms ook leuk of behendig neergezet. Maar ik verlang meer van een boek dan behendig neergezette nikserigheid. Ik ben dan wel een nostalgicus, maar ik ben modern genoeg om literatuur interessanter te vinden naarmate die meer naar zichzelf verwijst. Ik mag dan wel terugverlangen naar de tijd waarin ik mijn boeken situeer, maar ik ben mij er ook heel erg van bewust dat ik als schrijver iemand van de 21ste eeuw ben. Ik hanteer bepaalde literaire technieken. Ik ben iemand van deze tijd die een bewuste keus maakt voor het verleden. Met moderne middelen probeer ik achteruit te streven. Iets dergelijks hoop ik bij andere schrijvers ook aan te treffen. Ik wil een literair spel zien. Het boek dat er voor mij met kop en schouders bovenuit stak, was De kameleon van Paul Claes. Ontroeren doet het nauwelijks, maar ik vind het weergaloos knap gedaan. Ik kan zijn spel meespelen, want ik weet waar hij het over heeft. Literatuur moet wel ergens over gaan, anders eindig je bij Finnegans Wake, maar het verhaal op zichzelf doet er minder toe. Een roman moet vooral naar zichzelf verwijzen, zoals een muziekstuk dat ook doet. Het abstracte bouwsel is het fundament, het klankwerktuig zoals ik dat noem. Een roman moet hecht gecomponeerd zijn, zoals bijvoorbeeld een sonate. Vergeleken met wat een componist doet, stelt het weinig voor, maar ik verbeeld me toch graag dat ik als een componist te werk ga bij het schrijven.''

Is het een prettige bezigheid?

,,Nou... Het is meer zo dat ik het niet kan laten. Bij vlagen is het plezierig, als je ineens een mooie formulering te pakken hebt, of je combineert twee beelden en er slaat ineens een vonk over. Maar het is 99 procent zwoegen in de hoop op dat ene procentje inspiratie dat je van bovenaf toegeworpen krijgt. Al schrijvende haal je het wel dichterbij, maar het is niet je eigen verdienste. Een roman schrijven is geen lolletje, net zo min als het leven zelf. Eerst loop ik anderhalf jaar te tobben en te muiten. Als ik het helemaal rond heb in mijn hoofd, dan ga ik schrijven. Ik werk dan een half jaar lang heel hard, 24 uur per etmaal, bij wijze van spreken. Ik maak altijd twee versies. Niet op de computer, dat vind ik gemakzuchtig, maar op een typemachine. Schrijven is voor mij nog altijd een lichamelijke bezigheid. Ik ben ooit begonnen op zo'n Underwood. Toen was dat heel modern. Ik doe het alleen nog steeds en zal het tot het eind zo blijven doen. Bij de tweede versie schaaf ik aan de compositie totdat het een hecht geheel is geworden, in mijn eigen ogen dan natuurlijk.''

Worden uw inspanningen beloond?

,,Niet door de verkoop, in elk geval. Er rust kennelijk een zware doem op mij, want zelfs de Ako-prijs voor Karelische nachten in 1990 heeft nauwelijks iets teweeggebracht. Nu was dat ook geen gemakkelijk boek, moet ik zeggen. Twee drukken is voor mij al heel wat. Een prijs levert hooguit een derde druk op. Maar ach, zoals ik schrijf, dat is toch een schip van bijleg. Ik schrijf voor een klein publiek, dat weet ik van tevoren. Ik ben blij dat ik me, met overheidssteun, die weelde kan veroorloven. Daar help ik de kunst mee verder, denk ik.''

Louis Ferron: Het overspelige gras. Uitg. De Bezige Bij. 256 blz. Prijs € 18,50