Pentagon schiet doel voorbij

De onhandige manier waarop het Amerikaanse ministerie van Defensie de laatste maanden bij verschillende gelegenheden naar buiten is getreden, is schadelijk voor de Verenigde Staten, vindt James Rubin.

De regering Bush heeft de laatste weken domme schade toegebracht aan de opmerkelijke internationale coalitie die was opgebouwd na 11 september. Voor een deel was deze verslapping aan de kant van Amerika's vrienden en bondgenoten onvermijdelijk, maar het probleem schuilt ook voor een groot deel in de wijze waarop het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de kant is geschoven bij de dagelijkse aanpak van de oorlog tegen het terrorisme. De recente aanwijzingen dat het Pentagon een mondiale informatiecampagne wil gaan voeren met behulp van een Office of Strategic Influence (Bureau voor Strategische Beïnvloeding') vormen een recept voor verdere moeilijkheden.

Het staat buiten kijf dat het Pentagon de militaire operaties in Afghanistan briljant heeft aangepakt. Maar bij de beslissingen die van invloed zijn op de buitenlandse betrekkingen, vooral naar het publiek toe, heeft het een minder vaste hand gehad.

Een gemiste kans was bijvoorbeeld de vrijgegeven videoband die het overweldigende bewijs leverde van Bin Ladens schuld aan de aanslagen op het Wereldhandelscentrum. In de moslimwereld zijn velen daar nog altijd niet van overtuigd en velen denken dat het een vervalsing was. Enige scepsis was wel te verwachten. Maar als de band niet door het Pentagon aan de Amerikaanse media was aangeboden, maar door Amerikaanse diplomaten tijdens een bijeenkomst van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, dan waren de kansen om die scepsis weg te nemen heel wat groter geweest.

Het Amerikaanse volk was al overtuigd van de schuld van Bin Laden. Het beoogde publiek had het forum van de wereldopinie moeten zijn. Als de band door de Amerikaanse ambassadeur bij de VN was aangeboden, dan zouden andere landen over de hele wereld het belang ervan op die bijeenkomst hebben bekrachtigd, min of meer zoals dat is gebeurd met de bewijzen die Adlai Stevenson aan de VN voorlegde tijdens Cubaanse raketcrisis en die van Madeleine Albright na de mislukte Iraakse moordaanslag op president George Bush in Koeweit in 1999 en het door Cuba neergehaalde Amerikaanse burgervliegtuig in 1996.

Dit soort diplomatie werd vermoedelijk niet overwogen doordat minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell enkele weken eerder eenzelfde strijd met minister van Defensie Donald Rumsfeld had verloren, toen de president Powells voorstel van de hand wees om een ongecensureerde samenvatting van de bewijzen tegen Bin Laden en Al-Qaeda vrij te geven.

Ook had de Pentagon-leiding weinig kijk op de internationale opinie bij haar aanvankelijke uitspraken over de behandeling van gevangenen in Guantanamo. De controverse die hierover ontstond, met inbegrip van de verontwaardiging die zelfs bij verstokte Engelse aanhangers van de VS leefde, had grotendeels vermeden kunnen worden. De fout lag niet zozeer bij de behandeling van de gevangenen, of zelfs bij de juridische haken en ogen, maar bij de aanvankelijke uitspraken die de indruk wekten dat de VS zich totaal niets gelegen lieten liggen aan de omstandigheden van de gevangenen.

Als Washington zich aan een eenvoudige uitspraak had gehouden dat `de gevangenen zullen worden behandeld op een wijze die strookt met de beginselen van de conventie van Genève' totdat juridische duidelijkheid was verkregen, dan was er misschien een discussie onder juristen in plaats van een pr-nachtmerrie ontstaan. Pas toen Powell zich ermee ging bemoeien werd het belang van de wereldopinie erkend en aanvaardden de VS alsnog dat de procedures van de conventies van Genève ook dienden te gelden voor de Talibaan-soldaten. De ophef is nu grotendeels bedaard.

Ook de `as van het kwaad' is een voorbeeld. George W. Bush had het volste recht om bars tekeer te gaan over het spookbeeld van massavernietigingswapens in handen van schurkenstaten als Noord-Korea, Iran en Irak. Maar zijn loze retoriek heeft in heel Europa tot verontwaardiging geleid.

Door Iran en Noord-Korea op één hoop te gooien met Irak, heeft Bush de vrienden en bondgenoten van Amerika reden gegeven om bang te zijn voor het vooruitzicht van een oorlog tegen alledrie. Nu heeft hij een inval in Noord-Korea moeten uitsluiten. Het gevolg is dat toekomstige waarschuwingen minder geloofwaardig worden en dat de steun vermindert voor het waarschijnlijker scenario van een aanval op alleen Irak – om Saddam Hussein af te zetten, dan wel om te zorgen dat het bewind geen massavernietigingswapens kan maken.

Feit is dat Japan en Zuid-Korea, en de NAVO-bondgenoten van Amerika in Europa, allemaal van mening zijn dat de beste manier om de dreiging uit Noord-Korea en Iran aan te pakken gelegen is in diplomatie en niet in militaire middelen. Waarom dan een grote coalitie voor een slimme aanpak ondergraven met één toespraak, terwijl Washington de hulp van die coalitie nodig heeft in de strijd tegen Al-Qaeda en baat zou hebben bij de steun ervan tegen Irak? Opnieuw ziet het ernaar uit dat de leiding van het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft getracht de retoriek van het Witte Huis af te zwakken maar dat de zorgen grotendeels zijn genegeerd.

De verontwaardiging over berichten van desinformatiecampagnes door het Pentagon heeft de Amerikaanse geloofwaardigheid nog verder geschaad. Het behoud van internationale steun voor de Amerikaanse doelstellingen is onmisbaar voor het welslagen van de oorlog tegen het terrorisme. Natuurlijk moet de president de strijdkrachten voorrang geven als het op militaire operaties aankomt. Maar het is net zo belangrijk om de diplomaten te laten voorgaan als het aankomt op buitenlandse betrekkingen – en vooral op `publieke diplomatie'.

James Rubin was Amerikaans onderminister van Buitenlandse Zaken van 1997 tot 2000. Hij is gasthoogleraar internationale betrekkingen aan de London School of Economics. Dit stuk verscheen vandaag in de Financial Times.