Omstreden Poncke `goede Belanda'

De opstandige Hagenaar Johannes Cornelis Princen kreeg een socialistische opvoeding, maar raakte onder invloed van zijn grootouders geboeid door het katholicisme. In 1939 ging hij naar het seminarie in Weert, dat hij wegens zijn dwarse natuur niet afmaakte. ,,Ik heb altijd een heilige willen zijn'', zei hij later, toen hij al moslim was geworden en de bedevaart naar Mekka had gemaakt. ,,Dat is niet gelukt, maar ik heb er een paar hardnekkige roomse eigenschappen aan overgehouden.''

De bijnaam waarmee Princen onder Nederlandse Indië-veteranen berucht en bij talloze Nederlanders van naoorlogse generaties beroemd werd, kreeg hij in Duitse gevangenschap. In 1943 wilde hij zich aansluiten bij de geallieerde troepen, maar hij werd bij de Belgische grens aangehouden. In een Utrechtse gevangenis las hij ter dood veroordeelde celgenoten voor uit de Belgische streekroman `Pastoor Poncke'.

Begin 1946 moet `Poncke' zich melden voor de dienstplicht, te vervullen in `Indië', waar de nationalisten Soekarno en Hatta na drie jaar Japanse bezetting op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid hadden uitgeroepen. Hij neemt echter de wijk naar Frankrijk. Daar komt hij in de ban van het existentialisme, dat hem inspireert om ,,het conflict niet uit de weg, maar juist aan te gaan'', en hij gaat terug naar Nederland. Daar wordt hij voor de keus gesteld: als deserteur de gevangenis in of alsnog als dienstplichtige naar de Oost. Hij kiest voor het laatste.

Na een reeks aanvaringen met zijn meerderen en twee staaltjes militair wangedrag, waarbij een meisje uit de kampong en een Indonesische krijgsgevangene met voor hem schokkende nonchalance worden doodgeschoten, neemt Princen een besluit dat zijn leven voorgoed zal veranderen. Op 28 september 1948 vertrekt hij uit Jakarta naar Semarang, Midden-Java, en een week later steekt hij de grens over tussen door de Nederlanders bezet en republikeins gebied. Na enkele omzwervingen, waarbij hij gevaarlijk bekneld raakt tussen communistische en Soekarno-gezinde eenheden, belandt hij in Yogyakarta, de hoofdstad van de republiek. Als op 19 december 1948 de `tweede politionele actie' begint, wordt Yogya gebombardeerd. Majoor Kemal Idris, een brigadecommandant van de Siliwangi-Divisie, stelt Princen voor mee te trekken naar West-Java. Twee maanden loopt hij mee, 600 kilometer langs ongebaande wegen. Princen, later: ,,Tijdens deze lange tocht ben ik Indonesiër geworden.''

In een brief van 12 oktober 1949 schrijft Poncke aan zijn familie in Nederland: ,,Aanvallen overdag, 's nachts, bommen, verbrande kampongs. Xenofon zou in een hoek staan te blozen en honderd Multatuli's zouden de duizenden Saidja's en Adinda's niet kunnen beschrijven. De martelkamers van de NEFIS (militaire inlichtingendienst) laten de doodsnood door de nauwe ramen de wereld in gillen. Waarom zijn `De achttien doden' van Jan Campert door de Duitsers neergeschoten? Zeker niet om een Nederland te scheppen dat dit alles tolereerde.''

Nederland liet de meningsvorming lang over aan de Indië-veteranen en De Telegraaf, die Princen bestempelden als `landverrader'. Hijzelf repliceerde in 1991: ,,Ik ben geen landverrader; mijn land verried zijn eigen waarden. Ik handelde als Hollander en ik ben nog steeds zo Hollands als een zak drop.''

Nederlandse ambassadeurs in Jakarta moesten lang niets van hem hebben. Baron De Vos van Steenwijk noemde hem in 1991 nog een `matennaaier' en diens opvolger Van Roijen weigerde hem in 1993 een visum. Minister van Buitenlandse Zaken Kooijmans, die hem als VN-rapporteur voor de mensenrechten leerde waarderen, was toen met vakantie. De eerste gezant die een persoonlijk contact legde, was P.R. Brouwer (1994-1998): ,,Poncke, zeg maar Paul''.

Minister Pronk sprak Princen in diens hoedanigheid van activist voor de mensenrechten driemaal, wat de oud-strijders telkenmale in het geweer bracht. Kamerlid Van Mierlo, die begin 1994 bij Princen op bezoek ging, liet, eenmaal minister geworden, de omstreden activist met Kerstmis 1994 tot Nederland toe, op voorwaarde dat dit `humanitaire familiebezoek' geen politiek karakter zou krijgen. Het was een vorm van gratie, maar voor de katholieke moslim Princen was het niet de zo vurig verlangde absolutie. Morele vrijspraak, laat staan eerherstel, is hem in het land van herkomst nooit te beurt gevallen.

Indonesië sloot hem in de armen of wierp hem in het cachot. Tijdens de Lange Mars naar West-Java eisten de bevolking en guerrillastrijders Princen, in diens eigen woorden, ,,regelmatig op als zoenoffer voor het eigen leed''. ,,Neen'', zei Kemal Idris, ,,jullie krijgen hem niet, want dit is een goede Belanda.''

Opeenvolgende machthebbers dachten daar anders over. Onder de presidenten Soekarno en Soeharto zat Princen meermalen gevangen, omdat hij zich openlijk uitsprak tegen schendingen van de mensenrechten. In 1993 maakte hij bezwaar tegen de benoeming van Ali Said tot voorzitter van de Nationale Commissie voor de Mensenrechten. Said zat in 1966 het militaire tribunaal voor dat landgenoten ter dood veroordeelde wegens betrokkenheid bij de mislukte coup van 1965. Een gekrenkte Said: ,,Eens een verrader, altijd een verrader.''

In de feestbundel ter gelegenheid van Princens 70ste verjaardag, op 21 november 1995, noemt de priester-schrijver Y.B. Mangunwijaya ,,de gelijkluidende beoordeling door Nederlandse veteranen en bepaalde kringen in Indonesië hoogst interessant''. De bundel draagt de titel `De guerrilla die nooit eindigde' en is volgeschreven door Indonesische cultuurdragers en toenmalige opposanten. Generaal b.d. Kemal Idris prijst ,,de verdiensten van vriend Poncke voor onze vrijheidsstrijd'' en de dissidente schrijver Pramoedya Ananta Toer bedankt Princen in warme bewoordingen voor zijn niet aflatende belangstelling: ,,Ik zal dat nooit vergeten'.'

De publiciste Julia Suryakusuma karakteriseert Princen in haar opstel `Zonde of heldendom' aldus: ,,Geen heilige, maar een moedig en consequent mens''.

In de brief uit 1949 aan zijn familie schreef Princen: ,,Ik ben nu 23 jaar en al zou ik op dit moment sterven, dan heb ik toch genoeg geleefd. Al heb ik niets volbracht, al ben ik geen genie, geen kunstenaar, ik heb een volmaakt gedicht geschreven, namelijk dat van mijn eigen leven. Ik heb voor de volle honderd procent geleefd.'' Als zijn spraakvermogen hem 53 jaar later niet in de steek had gelaten, zou hij die woorden op zijn sterfbed hebben herhaald.