Nieuwe beesten

De foto bij dit stukje toont een Animaris Rhinoceros in rust. Het beest is geschapen uit hout van pallets, buizen en scharnieren. Het kan uitstekend lopen. Als het dat doet, door het een duwtje te geven, zult u tot uw verbazing en blijdschap zien dat het voet voor voet vooruit gaat, dus niet rolt, maar zich in principe voortbeweegt net als wij, door zijn poten te bewegen. Deze animaris vertegenwoordigt een fase in de evolutie. Als de ontwikkeling in deze dependance van de Schepping zich gunstig ontwikkelt, zullen we zijn familieleden kunnen zien lopen op het Hollandse strand. Het is niet uitgesloten dat die dan een hoogte van twaalf meter hebben bereikt.

De Animaris Rhinoceros is gemaakt door Theo Jansen. Hij valt op het ogenblik te bezichtigen in de Galerie Akinci. Daar staat nog een beest van de kunstenaar, de Animaris Vermiculus. Dat is van een andere familie. Het bestaat uit elektriciteitsbuizen, krijgt zijn energie uit samengeperste lucht die het zelf in plastic flessen op zijn rug verzamelt – vergelijk het met ons eten en drinken – en beweegt zich voort op een manier die mij nog het meest aan de looptechniek van een duizendpoot deed denken. Van een duizendpoot dan, die niet rechtdoor loopt, maar al verdergaand, zich enigszins zijwaarts, in kronkels beweegt. (Een zich volstrekt zijwaarts voortbewegend duizendpoot zien we alleen op het exercitieterrein, als de hele compagnie één stap naar voren wordt gecommandeerd).

Theo Jansen maakt al sinds 1990 strandbeesten; lopende geraamtes, geconstrueerd uit elektriciteitsbuis, voortbewogen door de wind. In zijn column, eens in de veertien dagen op zaterdag in de Volkskrant, heeft hij het publiek regelmatig van de vorderingen op de hoogte gehouden. Beter gezegd, van de voortgang in de evolutie. De Animaris Vermiculus onderscheidt zich door zijn voortbeweging via overdruk, die door zuigers in cylinders in een lopen wordt omgezet. Een nieuw lopen, dat bij geen enkel ons tot dusver bekend wezen is aangetroffen. Ik hoor tot de bevoorrechten die getuige zijn geweest van een ontwaken van de Vermiculus. Het beest zucht, traagheid verandert in vaart, het zuchten wordt tot blazen, en dan gaat het weer in omgekeerde volgorde. De laatste zucht, de luchtmagen zijn leeg. Nog betoverd sta je te kijken, wil encore, encore! roepen. Maar het is net als bij ons mensen: er is een einde aan het bevelen. Is de energie verbruikt, dan moet je eerst slapen en eten, voor je je volgende nummer ten beste kunt geven.

De strandbeesten zijn mooi om te zien, zoals staketsels in het algemeen mooi kunnen zijn. Ze hebben het geheimzinnige dat ieder geraamte eigen is, ook al heb je geleerd dat je zoiets onder je eigen huid bewaart, waarvan je je bovendien kunt overtuigen door jezelf een hand te geven. De gigantische geraamtes uit de prehistorie hebben dit mysterie in het kwadraat, omdat je je niet kunt voorstellen dat het beendergestel met vlees en vel bekleed is geweest en doeltreffend heeft bewogen. Dat maakt Jurrassic Park zo interessant. En nu bijvoorbeeld de Animaris Currens Ventosa van Theo Jansen, een groot geraamte, met wieken op zijn rug, dat stapvoets over het strand loopt. Samengevat: het heeft drie kwaliteiten: 1. het beweegt (altijd mooi). 2. het heeft de geraamtegedaante, wat versterkt wordt door het lichtgeel van de pvc-buizen, de kleur van gebleekte botten. 3. er is een prikkelend vernuft in geïnvesteerd.

Vergelijk het niet met de machines van Tinguely of de mobilen van Calder. Die kunnen op hun manier ook betoverend bewegen, maar ze draaien, ze horen tot een andere orde. Zoogdieren hebben geen draaiende delen. De mens kan wel omkijken, maar niet zijn hoofd 360 graden laten draaien. Het hoofd is geen wiel. Daarom zijn de loopbeesten van Theo Jansen van een andere mechanische orde, daarom naderen ze dichter tot onze orde van de zoogdieren.

We hoeven er geen mystieke overwegingen aan vast te knopen – nee, juist niet. Het gaat meer de kant van Julien Onfray de Lamettrie op, de Franse arts, denker en schrijver (1709-1751), met zijn L'homme machine. `Het menselijk lichaam is een machine die haar eigen veer opwindt, het levend voorbeeld van een perperuum mobile. Maar zonder voedsel kwijnt de ziel weg, vervalt tot razernij en gaat in uitputting ten onder...' (vertaling Ger Groot). Dat zag ik in Galerie Akinci de Animaris Vermiculus overkomen; gelukkig maar tijdelijk.

Theo Jansen is van plan op den duur een kudde standbeesten in het leven te roepen. Dat zal een groots spektakel zijn: als er op een mooie voorjaarsdag, onder een blauwe lucht met een paar torens van cumulus, bij frisse bries een stuk of twintig over het strand lopen, langzaam, zoekend, bij de muziek van de branding, met de duinen en de horizon als décor.

Expositie tot 16 maart, Galerie Akinci, Lijnbaansgracht 317, Amsterdam.

Zie ook Theo Jansen, Klimmen in de lucht, Reflecties. Sun, 1996