Moed

Deze week dwaalde ik door de grote volksbuurten van Rotterdam en Amsterdam. Met een gevoel van groeiende vervreemding. In Rotterdam was dat gevoel nog sterker dan in Amsterdam niet alleen omdat ik die buurten in Amsterdam al beter kende, maar ook omdat het straatbeeld in de Rotterdamse buurten een nog allochtoner karakter vertoont.

Als je in Rotterdam over de West-Kruiskade in de richting van de Middellandstraat loopt, en uitwijkt naar de straten erachter, waan je je steeds meer de enige blanke Nederlander op aarde. Zó voel je je ook bekeken: wat doet die witte man hier in zijn witte regenjas en met zijn veilige parapluutje? Is hij op zoek naar dope of jongetjes? Je voelt dergelijke gedachten door de hoofden spoken van al die jongens en mannen die hier hun tijd doden met rondhangen, drentelen en staren.

Het zijn geen prettige wandelingen. Je bent overbodig, je hebt hier niets te zoeken, je bent een voyeur in een wereld waar je niet thuishoort. Maar het is toevallig wél Nederland, het gebeurt vlakbij de centra van onze grootste steden, je woont er zelf op nog geen tien minuten lopen vandaan.

Verwarrend. Een vreemdelingenhater ben je niet, en wil je ook nooit worden, zeker niet in deze tijden, waarin sommige politici daartoe bijna beginnen aan te zetten, maar je moet het toegeven: deze uitdijende getto's zijn een bedreiging voor onze steden, en ze belichamen een scheiding die voor geen enkele samenleving heilzaam kan zijn.

Ik herinnerde me opeens een beeld van jaren geleden dat ik op een wandeling door AmsterdamOost met een schok onderging: de honderden mannen die midden op een vrijdag naar een moskee dromden. Niemand sprak Nederlands, ze vertegenwoordigden een in zichzelf besloten wereld die ver van de onze af stond.

Wat vonden zij van óns? Daar kwam je niet achter. In de media hoorde je alleen de gesubsidieerde, allochtone welzijnswerkers die de verhullende taal spraken die wij graag wilden horen.

Afgelopen woensdag gunde de schrijver Hafid Bouazza van Marokkaanse afkomst ons op de opiniepagina van deze krant een blik achter de schermen. Het was een van de opzienbarendste stukken die ooit over dit onderwerp zijn verschenen. De Iraniër Kader Abdollah was hem 's maandags al voorgegaan in zijn column in de Volkskrant, maar het artikel van Bouazza was analytischer, nóg scherper en vooral pessimistischer.

Abdollah richt zich tot de moslims: ,,Wij, degenen die ons huis verlaten hebben, moeten ons eigen culturele erfgoed hard durven te bekritiseren (...) Als wij dat zelf doen, blijft er geen ruimte voor Pim Fortuyn over.'' Bouazza valt Nederland aan, dat hij te slap vindt in de verdediging van zijn vrijheid. ,,Als moslims ergens hun superioriteitsgevoel vandaan halen, dan is het wel dat ze die Nederlanders zo veel poetsen kunnen bakken en daarvoor een aai over de bol krijgen.'' Bouazza vreest dat het al te laat is, hij voorziet `een infernale scheur in dit kleine, maar wonderlijke land'.

Maar misschien hoeven we niet te wanhopen zolang we schrijvers als Abdollah en Bouazza in ons midden hebben: literaire klokkenluiders met multatuliaanse moed.