Inzicht in onvermogen

Er wordt momenteel weer heel wat gesomberd over het Nederlands bestuur, in het bijzonder over de politiek. Waarom is de aansluiting tussen samenleving en overheid problematisch geworden, is de centrale vraagstelling in Haagse tegenstrijdigheden. Een vraag die niet nieuw is. In hun boek Crisis in de Nerderlandse politiek (de naam zegt het al) wierpen de politicologen Van den Berg en Molleman 28 jaar geleden dezelfde vraag op. En ook zij sneden indertijd geen nieuw onderwerp aan. Het klagen over politiek en bestuur, inclusief de bijbehorende apocalyptische voorspellingen, is eigenlijk van alle tijden. Slechts de omstandigheden waaronder geklaagd wordt en zodoende de bewijsvoering is telkens anders.

Politieke `crisisboeken' zijn dan ook vooral aardige tijdsdocumenten. Het nu uitgebrachte Haagse tegenstrijdigheden met reeds eerder elders verschenen essays en beschouwingen van Bram Peper, Paul Schnabel, Herman Tjeenk Willink en Bart Tromp, behoort zeker ook tot deze categorie. In hun verschillende benadering geven de bijdragen als geheel toch een aardig inzicht in het politiek en bestuurlijk onvermogen van Nederland rond de eeuwwisseling.

De meest prikkelende bijdragen zijn zonder meer die van Bram Peper en Bart Tromp. Peper schreef in het voorjaar van 1999 nog als minister ten behoeve van een `benen-op-tafel-sessie' in het Catshuis zijn veelbesproken essay `Op zoek naar samenhang en richting', waarin hij de vergruizing van de overheid en het wegkwijnen van de politiek beschreef. Zijn directe collega's dachten onmiddellijk dat het over het tweede kabinet-Kok en dus over hen ging en schoten in de bekende Haagse kramp. Maar als het stuk nu bijna drie jaar later, ontdaan van de politieke nervositeit, nog eens wordt teruggelezen blijft een ragfijne analyse over van waaruit bij wijze van spreken het verschijnsel Leefbaar Nederland direct verklaard zou kunnen worden.

Dat geldt ook voor de bijdrage van Bart Tromp onder de titel `Een partijloze democratie, of: het einde van de politieke partij?' die in augustus 2000 ook al in De Gids verscheen. De huidige antistemming richt zich in belangrijke mate tot de gesloten politieke cultuur, waar ook de oude partijen met hun eigen handelen debet aan zijn. Tromp fulmineert er al jaren tegen. `Het perspectief van een democratieloze partij lijkt mij heel wat ernstiger te nemen dan dat van een partijloze democratie', schrijft hij.

Tromp refereert enkele malen aan het essay van Peper en geeft er ook commentaar op. Dat geldt niet voor de bijdragen van Tjeenk Willink (een rede uitgesproken bij het 35-jarig bestaan van de faculteit der sociale wetenschappen van de Erasmus Universiteit) en Paul Schnabel van het Sociaal en Cultureel Planbureau van wie zijn toekomstverkenning voor het kabinet `Bedreven en gedreven' van vorig jaar september in de bundel is opgenomen. Het is het stuk waarin het `4-R-model' wordt geïntroduceerd (richting, ruimte, resultaat en rekenschap), een formule die iedere beleidsambtenaar vanaf schaal 16 sindsdien voorin de mond bestorven ligt. Maar hoe interessant ook, het beleidsstuk van Schnabel is toch van een andere orde dan de overige drie bijdragen. Het essay van Peper heet `Op zoek naar samenhang en richting'. Het is juist die samenhang en richting die in de bundel ontbreekt.

Bram Peper, Paul Schnabel, Herman Tjeenk Willink en Bart Tromp: Haagse tegenstrijdigheden. Vier essays over burgers, overheid en politieke partijen in Nederland. Amsterdam University Press, 91 blz. € 14,50