In volle glorie vergaan

De crisis in de wereld van de islam is volgens Bernard Lewis vooral het gevolg van een achterhaald superioriteitsgevoel. Hoewel moslims volgens hem ook te laat leerden klok kijken.

Het was Bernard Lewis, gevierd historicus van het Midden-Oosten, die begin jaren negentig in het artikel The Roots of Muslim Rage de confrontatie tussen het Westen de wereld van de islam een `botsing der beschavingen' noemde. Een uitdrukking die Samuel Huntington van hem leende voor zijn beroemde, omstreden boek The Clash of Civilizations. Lewis (85), auteur van onder andere The Middle East en The Emergence of Modern Turkey, tevens emeritus hoogleraar aan Princeton en door The New York Times `de nestor van Midden-Oostenstudies' gedoopt, wordt door zijn critici wel beschouwd als de chauvinistische, rechtse tegenpool van de links-geëngageerde Edward Saïd.

Volgens Lewis is niet het westerse kolonialisme debet aan de malaise waarin de islamitische, en dan vooral de Arabische, wereld verkeert, maar is die voor een belangrijk deel te wijten aan interne omstandigheden. De superieure islamitische beschaving heeft volgens hem na de Renaissance niet beseft dat ze werd gepasseerd door Europa, en is weggezonken in indolentie en de cultus van een geïdealiseerd verleden. Het gefnuikte gevoel van superioriteit is tenslotte, in onze tijd, uitgelopen op een fanatiek en gewelddadig islamisme, een militant verzet tegen het Westen, waarvan de aanslagen op New York en Washington tot nu toe het dieptepunt vormen.

Lewis' What Went wrong?, kon dus niet op een beter tijdstip komen. Want hoewel de tekst – een bewerking van lezingen en artikelen van 1980 tot 1999 – werd afgesloten vóór 11 september, is de centrale vraag van het boek brandend actueel: wat is er misgegaan met de islamitische cultuur van het Midden-Oosten? Dát er iets mis is staat volgens Lewis buiten kijf; hij ziet een algeheel verval van de regio in politiek, economisch, militair en intellectueel opzicht (zo citeert hij een rapport van de Wereldbank dat de export van de Arabische wereld, minus olie, minder is dan die van Finland).

Keuze

Zoals altijd is Lewis' stijl beheerst en meesterlijk, en combineert hij een breed historisch perspectief met treffende details en anekdotes. Toch is aan dit boekje te merken dat het om een bundeling gaat, want uiteindelijk komt Lewis niet tot een geïntegreerde conclusie, behalve dan dat, wat de toekomst van het Midden-Oosten betreft, `de keuze aan hen is'. Ook ligt het accent doorgaans nogal zwaar op de geschiedenis van het Turks-Ottomaanse Rijk, terwijl de zuurste conclusies van Lewis bedoeld lijken voor de Arabische wereld en Iran.

Om het contrast met de huidige malaise scherp te stellen benadrukt Lewis allereerst dat gedurende zo'n duizend jaar de moslimwereld een oneindig beschaafdere was dan de Europese: `dáár werden oude wetenschappen herontdekt en werden nieuwe geboren; dáár ontstonden nieuwe industrieën en ambachten en werd de handel tot ongekende groei gebracht'. Abstract denken en empirisch onderzoek beleefden eerder dáár dan hier een bloeiperiode. De islamitische cultuur kende een voor die tijd uniek egalitarisme (juist door het geloof) en vrijheid. Aan `de islam', het geloof als zodanig, kan de neergang dus niet hebben gelegen, in weerwil van wat nu al te gemakkelijk wordt beweerd.

Zelfs aan het begin van de negentiende eeuw, aldus Lewis, `had een arme man van bescheiden afkomst waarschijnlijk in de islamitische wereld meer kans om rijkdom, macht of aanzien te verwerven dan in willekeurig welk Europees land, inclusief post-revolutionair Frankrijk'. Voor slaven, vrouwen en ongelovigen gold dat niet, maar ook zij waren in de moslimwereld relatief beter af dan in Europa: vrouwen hadden eigendomsrechten die hier pas recent zijn ingevoerd, en een genocidale vervolging van joden was er onbekend.

Lewis verwerpt ook het Europese kolonialisme als verklaring voor de neergang; dat was van korte duur en bovendien was de islamitische wereld toen al in verval. Hij duidt dat verval zelf vooral in globale, culturele termen. De bloei had zijn hoogtepunt bereikt, tegen het einde van de Middeleeuwen, vernieuwing maakte plaats voor zelfgenoegzaamheid, waardoor de voorsprong die Europa destijds nam te laat werd opgemerkt. Van de nieuwe inzichten die Europa voortbracht werd bovendien nauwelijks iets overgenomen (er verschenen bijna geen vertalingen van wetenschappelijk werk), en toen de belangstelling eenmaal groeide, gold die vooral de praktische toepasbaarheid.

Die brede beschouwing maakt What Went Wrong? prikkelend, maar verheldert nog lang niet alles. Het mag waar zijn, zoals Lewis stelt, dat westerse literatuur en muziek ook nu nog grotendeels onbekend zijn in de moslimwereld (het omgekeerde trouwens ook), maar het is de vraag welke rol die onbekendheid precies heeft gespeeld. De intellectuele atrofie van de Arabische wereld is een feit, zeker, maar hoeveel heeft dat te maken met het verzuimen om naar Mozart te luisteren? Hoe bekend zijn Proust of Shakespeare in het – economisch en wetenschappelijk bepaald niet achterlijke – moderne China of Japan?

Een relevantere zwakke plek van de islamitische cultuur, al eerder aangestipt door Olivier Roy in diens sublieme studie van de utopische politieke islam, The Failure of Political Islam (1992), is het ontbreken van institutionele kaders voor een scheiding tussen politiek en religieus gezag. In de praktijk waren staatsgezag en religieus gezag wel degelijk gescheiden (een `theocratie' heeft in de klassieke islam nooit bestaan), maar tot een verdere formalisering van die scheiding, zoals in Europa, kwam het niet. Indirect heeft de stagnatie van de moslimwereld volgens Lewis dus wèl te maken met het geloof – door de verlammende manier waarop het in de samenleving tegenover de politiek kwam te staan.

Lewis verklaart dat uit de geschiedenis: terwijl de christenen in het Romeinse Rijk werden vervolgd en hun vrijheid moesten bevechten op het wereldse gezag, beleefde de islam direct een stormachtig succes. En omdat de islam maar één, universele wet kent – de sharia – is niet zozeer vrijheid tegenover de politieke heersers het grootste goed, maar rechtvaardigheid: de vorst moet bovenal een deugdzame moslim zijn. Lewis: `Voor traditionele moslims is het tegendeel van tirannie niet vrijheid, maar gerechtigheid.' Of, zoals Roy het uitdrukt: `Ethiek, niet democratie is in de islamitische politieke verbeelding het wachtwoord voor protest'.

Minachting

Die universele aanspraak van de sharia is overigens niet totalitair, al proberen extremisten in de huidige moslimwereld er zoiets van te maken. Roy betoogt juist dat het onafgeronde karakter van de islamitische wet en het ontbreken van een kerkelijke orthodoxie, de islam behoeden voor totalitarisme. De echte zwakke plek is dat het universalisme van de sharia de vorming van autonome, niet-religieuze politieke instituties heeft belet. Maar ook pogingen om religieuze beperkingen op te leggen aan de heersers mislukten, aldus Lewis, `waarna de meest vrome moslims zich opwierpen als radicale tegenstanders van het regime, of zich terugtrokken in quietisme, met een zekere minachting voor overheidsdienst.'

Buffer

De vorming van een civil society, een buffer tussen staat en samenleving, werd later gehinderd door weer iets anders: de panklare introductie van Europese vernieuwingen op militair en technisch gebied, die, zoals in het Ottomaanse Rijk, vooral ten goede kwamen aan het centrale gezag. De kloof tussen staat en samenleving werd zo alleen maar vergroot. Sociale modernisering in westerse zin bleef, behalve in Turkije, uit.

Dat is allemaal terzake. Toch begint Lewis' stellige toon op den duur te irriteren. Zo gaat hij maar summier in op de complexe modernisering van het huidige Turkije, op de grote lokale verschillen binnen de islamitische wereld, en besteedt hij nauwelijks aandacht aan de dramatische politieke, sociale en demografische verschuivingen in de regio. Hij beperkt zich liever tot ideeën en cultuur, en lijkt daarbij te veronderstellen dat een cultuur een holistische entiteit is, waarin alles met alles samenhangt. Maar zou het wáár zijn dat de polyfonie in de westerse muziek verband houdt met ons gevoel voor teamsport en democratie? De grens tussen eruditie en vooroordeel is hier flinterdun. Ook Lewis' uiteenzetting over westers tijdbesef en de klok – die in de moslimwereld lang ontbrak – is eerder een illustratie bij een overtuiging dan een argument.

Lewis' conclusie is somber. Als de volken van het Midden-Oosten op de huidige weg voortgaan, `kan de zelfmoordterrorist een metafoor worden voor de hele regio, in een spiraal van haat en wrok, woede en zelfmedelijden, armoede en onderdrukking'. Om dat te voorkomen, is zelfkritiek en meer vrijheid nodig. Elders suggereert hij dat de moslimwereld `een christelijke ziekte heeft opgelopen' en dat de remedie misschien ook een `christelijke' moet zijn: verregaande scheiding van religie en politiek. Hij denkt daarbij aan een islamitische Reformatie, in protestantse zin.

Hoe reëel is dat? Secularisatie is geen toverwoord dat alle kwalen in één klap verhelpt. Over de `protestantse' wending in de islam kun je je bovendien afvragen of die niet al hééft plaatsgehad, met de `politieke islam': de islam als traditionele, sociale religie maakt plaats voor de islam als individuele ideologie, wars van scholastiek en gevestigd gezag. De born again muslim, die opduikt in zoveel portretten van extremisten, is een creatie van deze gemoderniseerde, `evangelische' islam.

Je zou de hoop dan eerder vestigen op meer `katholieke' aanpassingen, zoals ook wel is opgemerkt, naar analogie van het Tweede Vaticaans Concilie. En terwijl Lewis uitgesproken negatief is over Iran, lijken de hervormingen daar, met algemeen kiesrecht, nu juist voorzichtige hoop te bieden voor een verdere scheiding van `kerkelijke' en politieke ambten. De islam heeft geen brekers nodig, maar wel verbouwers.

Bernard Lewis: What Went Wrong? Western Impact and Middle Eastern Response. Oxford University Press, 180 blz. € 23,67