`Iets afdwalen is niet erg'

De Kaapverdische literatuur was tot voor kort nogal ernstig, zegt Germano Almeida. ,,Ik wil niet alleen de de behoeftigheid en de hongersnoden laten zien, maar ook de andere kant.'

Hoe overleef je op een eiland dat nog het meeste weg heeft van een woestijn? In de zojuist vertaalde roman Aan de familie Trago van de Kaapverdische schrijver Germano Almeida (1945) komt die vraag een paar keer naar voren. Het boek speelt op Boa Vista, één van de tien eilanden voor de West-Afrikaanse kust die tezamen Kaapverdië vormen. Tot 1975 was het een Portugese kolonie, waarop letterlijk alles van elders moest worden aangesleept: mensen, materialen, dieren en zelfs gewassen. Het resultaat – zeggen de inwoners ironisch – was een paradijs dat voor alles afhankelijk bleef van de rest van de wereld, en dus tot armoede was gedoemd.

Germano Almeida, op bezoek in Rotterdam waar een omvangrijke groep Kaapverdianen woont, lacht: ,,Eerlijk gezegd vraag ik me dat zelf ook wel eens af, vooral wanneer ik aankom op Sal, het eiland ten noorden van Boa Vista: hoe kun je in godsnaam leven op een eiland dat zout als enige grondstof heeft? Het gekke is dat de Kaapverdianen zich tegen die precaire levensomstandigheden met veel blijmoedigheid teweer stellen. Opgewektheid en humor zijn hun kenmerkende eigenschappen. Wat dat betreft is de Kaapverdische cultuur heel anders dan die van Portugal en zijn saudade.'

,,Toch hebben alle eilanden ook een eigen karakter,' zegt hij. ,,Toen de Portugezen kwamen, waren ze onbewoond. Ze wilden er, net als op de Azoren, een zuiver blanke bevolking vestigen. Maar omdat het eiland Santiago een belangrijke doorvoerhaven van slaven werd, kreeg je daar vanzelf een grote zwarte bevolkingsconcentratie. San Vicente is nu het meest kosmopolitisch van alle eilanden; daar is onlangs zelfs een homo-festival georganiseerd. De mensen uit Santo Antão worden gezien als harde werkers, omdat de omstandigheden daar nog moeilijker zijn dan op de eilanden. Die van Boa Vista gelden daarentegen als extreem lui. Daar kom ik vandaan, ja...'

Roeping

Hij lacht opnieuw innemend: een boomlange man van wie de vriendelijkheid afstraalt, advocaat van beroep, schrijver uit roeping. Of liever `verhalenverteller', zegt hij. Dat klinkt minder pretentieus dan `schrijver' en geeft een grotere vrijheid. ,,Kaapverdiërs hebben het idee dat schrijven een heel serieuze zaak is, en daarom was de literatuur er tot voor kort ook nogal ernstig. Schrijvers wilden laten zien hoe hard het bestaan er wel niet was: de behoeftigheid, de hongersnoden. Daardoor hebben ze de andere kant van het Kaapverdische leven, die ik probeer weer te geven, een beetje veronachtzaamd. Want ondanks alle misère zijn de mensen blij met hun bestaan. Ze houden van hun cultuur en van hun land.'

Intussen geldt Germano Almeida als de belangrijkste schrijver van het land. Eind jaren tachtig debuteerde hij met Het testament van senhor Araújo, het levensverhaal van een man die uit niets opklimt tot geslaagd zakenman, waardig en geacht, met – naar Kaapverdische zeden – een buitenechtelijke dochter die zijn erfgename wordt. Voor de publicatie ervan richtte Almeida een eigen uitgeverij op, maar pas nadat het boek in 1991 ook in Portugal was verschenen, begon zijn ster internationaal te rijzen. Sindsdien worden zijn boeken eerst in Portugal gezet, dan in Kaapverdië uitgebracht en pas daarna in het voormalige moederland. Ook hier moeten alle hulpmiddelen van buiten komen, Kaapverdië's noodlot.

Zes romans schreef Almeida tot nu toe, naast een verhalenbundel. Aan de familie Trago is – na Het testament van senhor Araújo – de tweede die in het Nederlands is vertaald. Ameida vertelt erin hoe stamvader Pedro Trago op het eiland Boa Vista een import- en verkoopbedrijf tot bloei brengt en hoe dat onder zijn zoons weer langzamerhand in verval raakt. Terwijl de stamvader gaandeweg steeds senieler – maar daardoor ook steeds hitsiger – wordt en tenslotte moet worden opgesloten, probeert de verteller de familiegeschiedenis te reconstrueren. Gemakkelijk gaat hem dat niet af. Hij weet zelfs niet of hij de kleinzoon of achterkleinzoon van Pedro Trago is. Ooit is er in diens huishouden bij een dienstmeisje – de grootmoeder van de verteller – een jongetje verwekt waarvan de vader (Pedro Trago of diens zoon Sefarim?) altijd onduidelijk is gebleven.

Overgrootvader

Die geschiedenis is tekenend voor de achteloze sensualiteit waarvan het Kaapverdische leven bij Almeida doortrokken is, maar ook voor zijn manier van vertellen. Wanneer de vertellende (achter)kleinzoon de familiegeschiedenis niet meer precies kan achterhalen, vult hij de gaten eenvoudigweg uit zijn fantasie op. Vaak, zo blijkt achteraf, slaat hij daarbij de spijker op zijn kop. Ook Almeida zelf ging voor de figuur van Pedro Trago uit van wat hij over zijn eigen overgrootvader had gehoord: een man met een grote fysieke kracht die op Boa Vista fortuin had gemaakt en later gek werd. Dat was de basis. De rest van de intrige – beklemtoont hij – is verzonnen.

,,Op Boa Vista', zegt hij, ,,heeft altijd een grote traditie van verhalenvertellen bestaan. In de tijd waarin ik opgroeide was er nog geen electriciteit. Mensen staken een kaarsje aan, gingen in de deuropening zitten, andere mensen kwamen erbij, en dan kwamen vanzelf de verhalen. Zo brachten ze de hele avond door. Zelf schrijf ik ook altijd met het idee in hoofd dat ik aan iemand iets aan het vertellen ben. Het maakt dan niet uit of je af en toe een beetje afdwaalt, als je uiteindelijk maar weer bij je verhaal terugkomt. En als je verhalen vertelt, fantaseer je datgene wat je niet weet er gewoon bij. Dat is de essentie van het vertellen.'

Uiteindelijk gaat het in het boek echter niet om de geschiedenis van de familie Trago, of zelfs die van zijn eigen familie. ,,Het gaat om het bewaren van de geschiedenis van het eiland zelf', zegt Almeida. ,,Dat is belangrijk. Toen er in de jaren negentig in Kaapverdië een partij aan de macht kwam met een programma van privatisering en liberalisering, is er heel veel cultureel erfgoed vernield. De geschiedenis kan ons ervoor behoeden fouten die eerder zijn gemaakt nog eens te maken. Daarom moet de herinnering daaraan levend blijven.'

Maar altijd is er in de geschiedenis van Kaapverdië het buitenland: ver weg en tegelijk broodnodig. Volgens Almeida heeft het land er een gewoonte van gemaakt zich te specialiseren in zaken waarvoor het van de rest van de wereld afhankelijk bleef – en dat kwam het duur te staan. Eerst was het een vrijhaven voor de slavenhandel, toen een bunkerplaats voor de transatlantische vaart en daarna voor vliegtuigen onderweg naar Zuid-Amerika, tot ook die geen tussenstops meer nodig hadden. En nu zoekt het land het in het toerisme.

Almeida ziet dat met gemengde gevoelens aan. De mensen in zijn boeken zijn zelfbewust, arm maar tot in de puntjes verzorgd en op een waardige wijze formeel. Maar dat verandert. ,,Bedelarij zag je tot voor kort in Kaapverdië niet', zegt hij. ,,Het is altijd een trots volk geweest, maar je ziet nu hoe dat wegslijt, onder de invloed van het toerisme.' Er klinkt spijt in zijn stem. Ook Kaapverdië heeft haar saudade.

Germano Almeida: Aan de familie Trago. Uit het Portugees vertaald door Kitty Pouwels. De Geus, 380 blz. € 27,–