Het steentje van Lao Tse

Het zal de oplettende lezer niet zijn ontgaan dat ik vorige week op deze plek ontbrak. Een doodzonde voor een columnist, maar voor mijn afwezigheid was een zwaarwegende reden die, hoe het ook moge aflopen, mijn leven ingrijpend zal veranderen.

Een week geleden stapte ik na een liefderijke omhelzing uit bed, zakte vervolgens door mijn knieën en viel op de grond. Het lukte mij niet meer op te staan. Langs mijn lichaam hing geheel verlamd mijn linkerarm als een dood stuk vlees.

Tegenwoordig zijn lichaam en geest één geheel, maar het vreemde was dat mijn geest glashelder bleef, bijna objectief kon waarnemen, terwijl mijn lichaam uitviel als een machine zonder brandstof. Liggend op de grond kon ik alleen nog maar een beetje heen en weer rollen. Ik zag hoe ons zoontje, dat in de slaapkamer aan het rondkruipen was, zich aan zijn handjes aan mij optrok en over mij heen kroop alsof ik een berg was. Ik kon hem in zijn ontdekkingstocht niet helpen, want het begon langzaam tot mij door te dringen dat er iets onheilspellends was gebeurd.

Even later hing ik in een brancard van de brandweer vier hoog boven de Koninginneweg. Ik kon nog zien hoe een tram voorbij reed en dat een verbaasde buurman naar boven keek. Een duif vloog langs.

's Nachts werd ik wakker, het was nog donker en ik lag bewegingsloos in bed. Ik probeerde rechtop te zitten, maar dat ging niet. Ik bedacht dat er een wet aangenomen moest worden die het mijn vrouw zou verbieden zich voor mij op te offeren en daarna viel ik weer in slaap.

Toen ik wakker werd was het nog steeds donker. Ik probeerde een rekensom te maken, 64 maal 352, gedeeld door 2 en dacht dat ik het goede antwoord had gevonden. Daarna begon ik in de ziekenzaal een gedicht van Marsman op te zeggen. Groots en meeslepend wil ik leven, vader, moeder, wereld, knekelhuis declameerde ik. Ik meende vlekkeloos het einde te hebben gehaald, wat betekende dat mijn geheugen in elk geval nog intact was.

Ik begon nu één voor één mijn ledematen te testen. Tot mijn verbazing deed mijn rechterkant het alweer bijna helemaal. Mijn linkerwijsvinger deed het ook weer, maar mijn linkerpink weigerde. Ook in mijn linkervoet was nog weinig leven te bekennen. Toen ik mijn linkerarm wilde heffen, had ik het gevoel alsof er vijftig kilo aan hing. Voorlopig zou ik de Hitlergroet niet meer kunnen brengen. Ik sliep weer in.

In de dagen daarna werd mij elke vrije wil ontnomen. De kleinste handelingen werden voor mij uitgevoerd en door een stoet van verplegers werd ik naar de wc gedragen, waar ik meestal uit vermoeidheid in slaap viel.

Lao Tse heeft wel eens gezegd: als je een steentje in je schoen hebt, dan ben je alleen nog maar dat steentje. Ik was niets meer, ik was alleen nog lichaam. Een lichaam waar zelfs nog een beetje leven in zat, want in de dagen daarop keerden allerlei functies voorzichtig terug. Ik kon weer grijpbewegingen maken en mijn linkerbeen opheffen. Na elke slaap bleek ik iets te kunnen wat ik daarvoor niet kon.

Maar aan de andere kant bleek mijn lichaam geheel vergeten te zijn hoe je moet lopen en hoe je een lepeltje in een kopje koffie moet roeren. Dat zal ik opnieuw moeten leren, als een kind dat zijn eerste stappen probeert te doen.

Natuurlijk kan een tweede bloeding mij definitief wegvagen, maar mij is voorlopig een volledig herstel voorspeld, zodat ik u ook in de toekomst nog op de hoogte wil brengen van mijn bestaan.

(Deze tekst, met de hand geschreven, werd door Ite Rümke ontcijferd en uitgewerkt - Redactie)