Echo's van de ondergang

De nieuwe, spraakmakende roman van Günter Grass is gewijd aan het lot van de duizenden Duitsers die aan het einde van de oorlog vluchtten voor de Russen.

Revanche voor een schrijver die hier en daar al werd afgeschreven, en voor een vergeten episode in de geschiedenis.

Op de twaalfde verjaardag van de machtsgreep 30 januari 1945 klonk Hitlers stem weer over de ether. Voor het eerst sinds lange tijd. Want na de mislukte aanslag van 20 juli 1944 had hij zich niet meer in het openbaar vertoond. Opnieuw riep Hitler in herinnering hoe het Duitse volk zijn lot aan hem had toevertrouwd. Oog in oog met het offensief van het Rode Leger aan de oostgrens maande hij de uitgeputte burgers hun krachten te mobiliseren en de oorlog alsnog een beslissende wending te geven. De Endsieg lag binnen handbereik.

Hoe diep Hitler ervan overtuigd was dat hij beschikte over het lot van zijn volk bleek in deze laatste maanden van het Derde Rijk. Verscholen in een bunker in Berlijn nam hij wraak op het volk dat hem in de steek had gelaten en hem niet waard was gebleken. Als hij tenonder ging, dan ook iedereen. Zo zei hij tegen zijn vertrouweling Albert Speer: `Als de oorlog verloren gaat, zal ook het volk verloren zijn. Want het volk heeft bewezen het zwakkere te zijn en de toekomst behoort uitsluitend het sterkere volk uit het oosten'.

Tegen dat gruwelijke decor van vernietiging en zelfvernietiging wordt de burgerbevolking veel te laat geëvacueerd uit het oostelijke deel van Pruisen en uit Silezië. In blinde paniek komen vluchtbewegingen op gang. De meesten zijn als de dood voor het Russische leger, dat opgejut door schrijvers als Ilja Ehrenburg plunderend en moordend de grens overtrekt. De pogingen van Goebbels om deze oorlogsmisdaden voor propagandistische doelen te benutten werken averechts en versterken alleen maar de angst voor wat komen gaat.

Zo gaan in de strenge winter van 1944/45 kilometerslange colonnes van vluchtelingen op weg om de havens te bereiken waar ze naar veiliger oorden kunnen worden verscheept. Bij temperaturen van min twintig graden vallen er tienduizenden doden door uitputting en honger. De historicus Guido Knopp heeft in zijn Die grosse Flucht, dat een televisieserie over hetzelfde onderwerp begeleidt, de ervaringen van de overlevenden genoteerd. Mede door talloze onbekende foto's, wordt deze ramp in volle omvang zichtbaar.

Vooral de tocht over de dichtgevroren Frisches Haff om zo de landtong te bereiken die toegang biedt tot de havens van Pillau en Gdingen is hemeltergend. Tussen januari en maart trekken dagelijks colonnes te voet of met paard en wagen over het onzekere ijs. De kraters die zijn geslagen door Russische bommenwerpers vriezen snel dicht en zijn niet meer te onderscheiden van de plekken waar het ijs nog wel betrouwbaar is. Omdat de tocht uit angst voor luchtaanvallen vaak 's nachts wordt ondernomen, verdwijnen hele families voorgoed in de ijszee. De weg ligt bezaaid met lijken van stijfgevroren kinderen en ouderen die zijn achtergelaten.

Het doel van de tocht is vooral Gdingen (Gotenhaven)waar het grote passagiersschip de Wilhelm Gustloff klaar ligt om de vluchtelingen te vervoeren. Uiteindelijk worden bijna tienduizend mensen op het schip geladen - overwegend vrouwen en kinderen - en op 30 januari 1945 begint de oversteek. Iedereen waant zich na de verschrikkelijke tocht veilig en met een ongelovig oor luisteren ze over de boordradio naar de woorden van Hitler, die zijn Durchhalteparolen nog eens kracht probeert bij te zetten. De vluchtenden weten inmiddels beter.

En dan slaat alsnog het noodlot toe. Om kwart over negen `s avonds, als de chaos na het vertrek wat is gekalmeerd en velen zijn weggedoezeld, wordt het kolossale schip getroffen door drie torpedo's van een Russische onderzeeër. Een uur later verdwijnt de Wilhelm Gustloff in de golven, met aan boord negenduizend slachtoffers. Op het moment dat het schip tenonder gaat, springt opeens de noodverlichting aan en onttrekt het tafereel voor even aan de duisternis. Dode kinderen drijven in hun zwemvesten rond, het hoofd onder water en de benen omhoog stekend. Ongeveer duizend mensen brengen het er levend van af, voor altijd getekend door deze grootste katastrofe uit de geschiedenis van de scheepvaart.

Knopp besteedt een hoofdstuk aan de ondergang van de Gustloff en vertelt de verhalen van de overlevenden, zoals dat van de 7-jarige Wilfried Harthun, die alleen op een vlot ronddrijft tussen de ijsschotsen en de lijken: `Na enige tijd merkte de jongen dat hij nog een begeleider had. In het touw van het vlot zat een soldaat verstrikt die hulpeloos meedreef in de golven. De zevenjarige was veel te zwak om de volwassen man op het vlot te trekken. Nog enige tijd praatte de soldaat op het kind in, dat steeds verder op het vlot wegkroop om beschutting te zoeken. Toen was het weer stil. De soldaat was gestorven en zijn lijk begeleidde de jongen door de nacht'.

Hoe moet een romanschrijver zo'n overweldigende gebeurtenis benaderen? Hoe kan een ordening worden aangebracht, die meer is dan een documentaire of een reconstructie? Günter Grass (geboren in 1927) liep al jaren rond met het verhaal van de Wilhelm Gustloff, dat zo nauw verbonden is met zijn eigen leven en werk. In zijn beroemde Dantziger trilogie (Die Blechtrommel, Katz und Maus, Hundejahre) speelt de ramp al een rol in de zijlijn. Geboren in Dantzig behoorde de schrijver tot degenen die in deze fatale maanden van huis en haard werden verdreven om nooit meer terug te keren. Hij vertelt dat zijn ouders zelfs hadden overwogen om uitgerekend met de Gustloff te vluchten.

Uit alles blijkt dat Grass zich verplicht voelt aan het werkelijke verloop van de gebeurtenissen, maar hij ontsnapt op een subtiele manier aan die documentaire dwang door één van zijn vroegere romanhelden uit de trilogie, Tulla Pokriefke, op het schip terug te vinden. Ze komt hoogzwanger aan boord en nadat de bommen inslaan beginnen de barensweeën. Ze wordt gered en bevalt een uur later van haar zoon Paul op de torpedoboot Löwe, die haar uit de nachtelijke zee heeft gevist. Als ze wakker wordt, blijken haar haren grijs te zijn geworden.

Daarmee wordt het einde van de Gustloff tot het begin van een familiegeschiedenis, met zijn eigen generatieconflicten. En daar gaat het Grass in deze novelle om: hoe beïnvloedt de herinnering aan deze gebeurtenis de relatie tussen moeder en zoon? En, niet minder belangrijk: hoe werkt deze overgedragen geschiedenis weer in op de daarop volgende generatie? Die botsing opent vele gezichtspunten, die met zijwaartse, ontwijkende bewegingen worden verkend. Vandaar de titel Im Krebsgang (`In kreeftengang'). Zo onderzoekt Grass met vele verhalen, die hij werkelijk meesterlijk heeft vervlochten, de echo van de Gustloff door de jaren heen.

En daarbij is de naam ten minste zo belangrijk als het schip. Want wie is deze Wilhelm Gustloff, naar wie het prestigieuze schip is genoemd? Het gaat om een vermoorde nazi-leider uit Zwitserland, die tot zogeheten Blutzeuge is gepromoveerd, iemand die het Derde Rijk met het ultieme offer van zijn dood heeft gediend. De moordenaar is een ietwat ziekelijke joodse student David Frankfurter, die met zijn daad het joodse volk wilde oproepen om zich te verweren. Plaats van handeling is het kuuroord Davos in de winter van 1936. Terwijl Frankfurter door een Zwitserse rechtbank tot achttien jaar wordt veroordeeld, groeit Gustloff uit tot een held van het vaderland. Het zal wel geen toeval zijn dat het schip zinkt op de dag vijftig jaar na diens geboorte en twaalf jaar na de machtsovername van Hitler.

Tulla Pokriefke blijft haar zoon achtervolgen met het verhaal van de schipbreuk en wil hem ertoe bewegen namens haar de herinnering in leven te houden. De halfslachtige Paul Pokriefke – werkzaam als journalist en meewaaiend met de tijdgeest – wil er weinig van weten: `Het lukt me toch niet een Duits reqiem of een maritieme dodendans op te voeren'. Hij is de verteller door wiens ogen we het familiedrama zien. De obsessie van zijn moeder stoot hem af en zorgt voor een grote verwijdering. Die wordt er niet minder op als hij haar in de steek laat en van Oost- naar West Duitsland vlucht. `Nee, ik heb geen werkelijke vader gehad, slechts uitwisselbare verschijningen'.

Tulla, die een raadselachtige aantrekkingskracht heeft op mannen (ze blijkt in alle opzichten een femme fatale) wordt door Grass fraai geportretteerd, met haar zinnelijke dialect: `Das heert nie auf. Da träum ech nich nur von, wie, als Schluss war, ain ainziger Schrei ieberm Wasser losjing. Ond all die Kinderchen zwischen die Eisschollen ...'. Een toegewijde Genosse is ze, werkzaam in een meubelfabriekje, waar ze de leiding heeft over het Kollektiv. Ze huilt als Stalin overlijdt en blijft tot het einde van haar dagen een portret van hem koesteren, op het laatst als deel van een klein altaartje wat ze heeft opgericht om haar terugkeer tot het geloof van haar jeugd te markeren. Ook heeft ze weinig moeite om haar communistische ideeën te verzoenen met een verbeten herinnering aan het prachtige schip, waarmee ze de laatste reis heeft gemaakt. Dat in de DDR die gebeurtenis verder vergeten moet worden – negenduizend onschuldige doden door een Russische onderzeeër behoort niet tot de canon van Ulbricht en de zijnen – maakt haar niet minder vasthoudend.

Zo staat ze voor een Duitse continuïteit die een perverse wending krijgt als ze haar kleinzoon Konrad (roepnaam Konny) in haar herinnering betrekt. Zoon Paul is inmiddels gescheiden en de kleinzoon trekt steeds meer naar zijn grootmoeder. Konny vereenzelvigt zich in toenemende mate met haar geschiedenis. Op het internet begint hij een site www.blutzeuge.de, waarop hij de lof zingt van Gustloff en het schip dat naar hem is genoemd. Dat passagiersschip was een pronkstuk van het Derde Rijk, vooral ook door het ontbreken van verschillende klassen. Onderdeel van de organisatie Kraft durch Freude moest het juist de volksgemeenschap symboliseren. Tulla zegt: `Was ham die sich aufjeregt bai ons im Parteikollektiv, als ech mal kurz was Positives ieber Kaadeäffschiffe jesagt hab, dass nämlich die Justloff ein klassenloses Schiff gewesen ist ...'.

Op het internet komt Konny in aanraking met een student die zich als David voorstelt en zich opwerpt als de verdediger van Frankfurter. Een ontmoeting die op een fatale ontknoping uitloopt: `Een virtuele nacht van de lange messen eiste zijn slachtoffers'. Zo herhaalt de geschiedenis zich meer dan zestig jaar later op het World Wide Web. Dat historische en morele overstatement is een bewuste keuze. In die verwrongen spiegeling van generaties, waarbij het verleden tot een karikatuur wordt, toont Grass zich een groot schrijver. Zo wordt ook duidelijk dat het einde van het schip en zijn naamgever vooral een aanleiding is tot een afdaling in de echokelder van de geschiedenis.

Dat deze ondergang nu komt bovendrijven, ook door de documentaire en het boek van Knopp, is geen toeval. De tijd is er blijkbaar rijp voor: Im Krebsgang is door vrijwel alle Duitse critici zeer positief ontvangen. Na de eenwording is de omgang met het verleden stap voor stap losgeraakt van de bevoogdende blik van de buitenwereld. Dat het uitgerekend Grass is die nu deze episode oprakelt is betekenisvol, want eerder heeft hij zich afgezet tegen de eenwording van zijn land, juist ook omdat hij vreesde dat het verenigde Duitsland `een kolos vol complexen' zou zijn, die zich zou vastbijten in het eigen oorlogsleed. Aandacht voor de Heimatvertriebenen was een thema voor de Ewiggestern, die zinnen op revanche en eigenlijk de verloren gebieden weer terugwillen. Nadat Grass zich in Ein weites Feld (1995) tegen de eenwording had afgezet, heeft hij nu op een indringende manier een verhouding tot deze nieuwe omgeving gevonden.

Hij wil het verzuim van zijn generatie goedmaken. Grass hecht eraan te verklaren dat de aanval op de Gustloff geen oorlogsmisdaad was: er waren immers ook militairen aan boord en het schip was bewapend. Maar in zijn boek spaart hij zichzelf niet. Hij duikt op als werkgever van de verteller Paul Pokriefke en wijt het aan zijn eigen zwijgen, dat het tot deze jeudige flirt met nazi-symboliek is gekomen. Een vorm van wegkijken die ook Paul aankleeft. Waarom heb je me nooit een model van de Gustloff cadeau gedaan toen ik dertien of veertien was, dan had ik niet later alles hoeven in te halen, vraagt Konny aan zijn vader. De doden hadden veel eerder tot leven moeten komen. `De Gustloff en zijn vervloekte geschiedenis waren decennia lang taboe'. Vooral in weldenkende kringen: ook bij Grass ging de geschiedenis op in Auschwitz.

Er is vaak gezegd dat de toenadering tussen Europese naties gesteund wordt door de herinnering aan de oorlog, het befaamde `nooit weer'. Mocht dat waar zijn, dan ligt het voor de hand dat de verzoening duurzamer zal zijn naarmate de herinnering aan waarachtigheid wint. En het moet worden gezegd dat de verdeling in daders en slachtoffers al te eenduidig was in de achter ons liggende jaren. Dat kunnen alle beroepsherdenkers zich aantrekken, al doen ze dat totnogtoe niet. Liever volharden in oude rituelen dan het risico nemen van een onbevangen onderzoek, dat in onze tijd een grotere zeggingskracht zou hebben.

Aan het einde van de oorlog en in de jaren daarna zijn dertien miljoen Duitsers verdreven van huis en haard. Naar schatting twee miljoen van hen zijn omgekomen. Knopp vertelt bijvoorbeeld hoe de zogenaamde Sudetenduitsers werden verdreven na de bevrijding van Tsjechoslowakije. Eerst werden ze afgezonderd door het dragen van een witte armband met een grote `N' (Ňemec het Tsjechische woord voor Duitser) en niet veel later werden de families die vaak al eeuwenlang in Bohemen leefden, met achterlating van alles de grens overgezet, als ze niet vermoord waren. Knopp beschrijft hoe het dorp Duppau met tweeduizend inwoners na de verdrijving letterlijk van de aardbodem verdween: alleen de stenen trap die naar het vroegere klooster leidt is in het struikgewas terug te vinden. Die wraakneming werd toegestaan door de geallieerde mogendheden, al dan niet oogluikend.

Zulke verhalen moeten worden verteld. Niet om de ene schuld tegen de andere weg te strepen. Wel om te begrijpen hoe slachtoffers tot daders kunnen worden. De novelle van Grass en het documentaire boek van Knopp dragen bij aan een verandering van de eenzijdige herinnering in en om Duitsland, omdat woorden worden gevonden voor het eigen oorlogsleed. Knopp zegt het bondig: `Verzoening kan niet zonder openheid. De verdrijving vormt een historische hypotheek. Wie deze gebeurtenissen verdringt zal door de schaduw ervan worden benauwd'. Ook Grass weet dat het ongemak waarmee deze ervaringen zijn bejegend ertoe bijdraagt dat de geschiedenis telkens weer terugkeert.

Eerder al vroeg de onlangs overleden schrijver W.G. Sebald zich af waarom de luchtbombardementen op de Duitse steden niet veel meer hun neerslag hebben gekregen in de naoorlogse literatuur. De verwoesting van de steden werd eerder gezien als eerste fase van de wederopbouw, aldus Sebald, dan als het sluitstuk van een alles verwoestende oorlog: `De werkelijke toestand van materiële en morele vernietiging waarin het gehele land zich bevond, mocht op grond van een stilzwijgende en algemeen geldende afspraak niet worden beschreven'.

Daarna werden boeken herontdekt die deze ervaring wel degelijk beschreven – zoals dat van Gert Ledig onder de veelzeggende titel Vergeltung (1956), maar die waren vergeten. Grass, die het bombardement op Dresden wel omschrijft als een `oorlogsmisdaad', noemt het geen toeval dat de twee literair geslaagde behandelingen van de verwoesting van Dresden op naam staan van buitenlandse schrijvers, namelijk Mulisch' Het stenen bruidsbed (1959) en Kurt Vonneguts Slaughter House Five (1969). Dat hij daarbij Die verteidigung der Kindheit (1991) van Martin Walser overslaat, zal wel te maken hebben met een oude vete tussen beiden.

Zeker is dat temidden van de overweldigende schaamte over alles wat door Hitler in naam van de Duitse bevolking is aangericht, het eigen lijden geen thema kon zijn. De geschiedenis wordt nu eenmaal niet geschreven door de verliezers, zeker niet door verliezers die zoveel op hun geweten hebben. Maar wie niet gelooft in collectieve schuld, ontkomt er niet aan, na te denken over de luchtbombardementen op de Duitse steden of de lotgevallen van de Heimatvertriebenen. Onder de massieve schuldvraag komen nu levensverhalen tevoorschijn die het waard zijn om gehoord te worden.

Aan het einde van zijn novelle verzucht Grass: `Das hört nicht auf. Nie hört das auf'. De schoten die David Frankfurter richtte op Wilhelm Gustloff klinken nog steeds na. De draden van de geschiedenis zijn op een noodlottige manier verstrikt geraakt. De noodzaak van de herinnering en het misbruik ervan cirkelen in Grass' vertelling voortdurend om elkaar heen. De verschillende generaties dragen hun eigen ervaringen met zich mee, maar raken nooit los van elkaar. Tulla Pokriefke en kleinzoon Konny maken deel uit van een historische verwikkeling, waarvan de oorsprong altijd buiten hun bereik heeft gelegen.

Je kunt ook zeggen, naar het bekende dictum van Marx: de geschiedenis herhaalt zich, eerst als tragedie, daarna als klucht. De aanslag van Frankfurter speelt zich af op een historisch keerpunt, terwijl de spiegelbeeldige herhaling ervan niet voor niets voortkomt uit het virtuele medium van het internet. De pientere en gevoelige kleinzoon die bevangen is door het geleende nazi-verleden, staat een leeftijdsgenoot naar het leven die zegt joods te zijn, maar het niet blijkt te zijn. Grass lijkt tot zijn landgenoten te zeggen: wie de tragedie van de eigen geschiedenis niet in volle omvang tot zich laat doordringen, blijft staan met de brokstukken van een klucht. Geschiedenis uit de derde hand, derdehands geschiedenis. Dat is niet per se een geruststellende slotsom.

Günter Grass: Im Krebsgang. Steidl, 216 blz. € 18,– Guido Knopp: Die Grosse Flucht. Econ, 416 blz. € 25,–