Dit is Utopia!

De kunst past zich aan aan rendementseisen en sociale behoeftes. Maar sommige kunstenaars doen niet mee. Deel elf in een serie over kunstoverschrijdende fenomenen.

Het stond kort geleden in de krant: ,,Het materiële heeft afgedaan. Niet goederen, maar concepten en ideeën zijn de werkelijk waardevolle artikelen in de nieuwe economie. Daardoor ontstaat een ander type mens.'' De woorden leken geleend van de kunst, maar de schrijver die hiermee werd geïntroduceerd, Jeremy Rifkins, is econoom. Een zeer eigentijdse econoom (voorzitter van de Foundation on Economic Trends), die op basis van de huidige ontwikkelingen zo ver mogelijk vooruit probeert te kijken. Wat hij daar ziet, is een wereld waarin ,,de culturele sfeer in de commerciële sfeer wordt getrokken, waarbij deze wordt `gecommodificeerd', ofwel als product verpakt, in de vorm van panklare culturele ervaringen, commerciële massaschouwspelen en persoonlijk vermaak''. Kunst, zo begrijpen wij hieruit, bestaat dan niet meer, tenminste niet als autonome categorie. Ze is ingelijfd bij de algemene entertainmentcultuur van Disney, Sony, Microsoft, en het belang van haar concepten en ideeën telt alleen nog in economische termen. Als trends anders gezegd. Pffff, weg.

Een zwartgallige droom? Ik vrees van niet. Kijk maar naar de musea en de `panklare culturele ervaringen' die ze steeds vaker serveren: blockbustertentoonstellingen, museumdance-party's, publiciteit genererende tentoonstellingsmakers, themadiners. Oorverdovende ruis die de kunst dreigt te reduceren tot een alibi voor sociale interactie en economisch profijt. Vooropgesteld natuurlijk dat die kunst zich daartoe leent, maar dat is een kwestie van de juiste keuze maken. Wat niet past, valt af.

Er zijn kunstenaars die hiervoor ook de kunst zelf aansprakelijk stellen. Ze zou zich niet teweerstellen, maar als een mak schaap meelopen. Zo'n kunstenaar is de 52-jarige Amerikaan Peter Fend. Fend is oprichter van Ocean Earth, een wisselend collectief van kunstenaars, architecten en wetenschappers, dat momenteel deelneemt aan een kleine groepstentoonstelling bij Stroom in Den Haag, WAYS OUT, to find the right way in: kritische utopisten. ,,Kunstmaken is tegenwoordig een krachteloze en betrekkelijk onbelangrijke bezigheid'', schrijft hij in een van zijn vele schotschriften. ,,Kunst komt niet veel verder meer dan de belangen dienen van de staat of de grote bedrijven, en het entertainen van de leeghoofdige welgestelde klasse.'' Dat moet anders, meent hij. Kunst heeft een taak. Een grootse taak, want ze moet tegenwicht bieden aan de uitbuiting en verloedering van de wereld. Ocean Earth doet dat door zich op te stellen als kritische onderzoeker en actievoerder. Gebied van onderzoek: de machtsverhoudingen in de wereld, gezien vanuit de energiepolitiek.

Dat is nog eens ambitie! Alleen vraag je je af hoe de kunst zo'n veelomvattend terrein kan benaderen. Wat kan ze toevoegen aan de acties van Greenpeace en de non-globalisten? De problemen visualiseren? Dat is maar zelden interessant. Zo blijkt ook nu weer. Ocean Earth heeft aan de muren van Stroom hele grote, uitgeknipte stukken van de wereldkaart opgehangen, die bergachtige landschappen lijken aan te geven. Toelichting ontbreekt want, verklaart Fend die bij mijn bezoek de laatste hand aan de tentoonstelling legt, bij kunst mag je niet al te veel informatie geven. Dat verstoort de verbeelding. Hij wijst naar woorden langs een rand aan het plafond: `Biomassa van de wereldzeeën, middelpunt van de industrie' en wil nog wel kwijt dat het hier geen land, maar de waterbekkens tussen de Kaspische zee en de Oost-Chinese zee betreft. En jawel, de direct met potlood op de muur getekende kaart met zachtblauwe draaikolken is een oceaan. Bravo voor Ocean Earth, want de tekening moet veel werk zijn geweest. Maar waar gaat dit over?

De frustratie neemt toe als het speciaal voor Stroom over het collectief gemaakte filmpje een onsamenhangend gesprek met de verbeten kijkende leden blijkt te hebben opgeleverd. Dan maar een brochure en een uit 1993 daterende catalogus geraadpleegd. Er worden plannen in uiteengezet voor regulering van rivieren en moerasgebieden op diverse plaatsen op de planeet, voor bescherming van in de oceanen levende organismes, voor op het menselijk lichaam gebaseerde architectuur en voor een satellietfotobureau dat informatie geeft over droogtegebieden en radio-actieve rampen. De media schijnen er veel aandacht aan te hebben besteed en de CIA moet herhaaldelijk in rep en roer zijn geweest, maar of de projecten aan de beginfase zijn ontstegen, vermelden de teksten niet.

Gelukkig drijft nu, dankzij Stroom, een door het collectief ontworpen platform in de Scheveningse haven, waaraan bruine algen groeien. Misschien zullen die ooit onze elektrische tandenborstels van energie voorzien.

Daarmee is meteen verklaard waarom Ocean Earth toch aan de kunstwereld blijft hechten: binnen de kunst is nog altijd veel ruimte, aandacht en geld voor ideeën die elders als irrelevant of onhaalbaar gelden. Dat is de erfenis van de jaren '60/'70, de tijd van de conceptkunst waarin Ocean Earth zijn wortels heeft (Fend richtte het collectief op in 1978). Toenmalige Amerikaanse conceptkunstenaars als Gordon Matta-Clark (vriend en voorbeeld van Fend), Dennis Oppenheim en Robert Morris waren ervan overtuigd dat artistieke ideeën die maatschappijgericht waren de geest van de mensen dusdanig konden beïnvloeden dat er vanzelf maatschappelijke veranderingen uit voortkwamen. Kunst was voor hen niet in de eerste plaats een object, maar een mentaliteit, een verhoogde staat van bewustzijn die van ieder die zich ervoor openstelde een ander mens zou maken. Precies zo dus als econoom Rifkin het nu stelt, zij het deze keer vanuit een winwin-mentaliteit.

Gezegd moet worden dat dit utopische idee van kunst niet ongeschonden is gebleven. In de jaren tachtig was het zelfs weg. Niemand geloofde meer in het heil van `de verbeelding aan de macht'. Pas in de loop van het afgelopen decennium bloeide de belangstelling langzaam weer op, vooral bij de jongere generatie kunstenaars en architecten. Er kwamen tentoonstellingen van kunstenaars die in de jaren zeventig een veelomvattende vernieuwende visie op de maatschappij hebben ontwikkeld, zoals Hélio Oiticica, Gerrit van Bakel (op dit moment weer te zien in Het Domein in Sittard!) en Constant Nieuwenhuys met zijn `Nieuw Babylon'. De Documenta van 1998 leek zelfs een toekomstgericht retrospectief. Een spagaat, die bovendien ongewoon breed was door het broederlijke samengaan van beeldende kunst en architectuur.

WAYS OUT, to find the right way in is één van het groeiende aantal tentoonstellingen dat hierbij aansluit. Ze biedt ongewild ook zicht op de inflatie van het begrip utopie. Want geen van de vier kunstenaars/architectenverbanden komt met plannen die verdergaan dan correcties van de bestaande orde. Van utopie in de zin van een totaal en radicaal nieuw toekomstontwerp, een nieuw `Nieuw Babylon' zeg maar, is geen sprake. Je kunt hooguit spreken van kritische modellen met een soms verregaand idealistische aanpak, zoals bij het project van de Amerikaan Kyong Park.

Park, voormalig directeur van een New Yorkse architectuurgalerie, zag een jaar of vier geleden in Detroit een schitterende kans om wat hij noemt `een nieuw stedelijk paradigma' te ontwerpen: een model voor een stad waarbij het stedelijke en het landelijke elkaar overlappen. Het centrum van Detroit leek hem daarvoor perfect geschikt. Het is een tweehonderd vierkante kilometer groot gebied dat een aaneenschakeling is van honderden verwoeste en uitgebrande huizen, fabrieken en kantoorgebouwen, omgeven door verwilderde stukken land. Alleen de allerarmsten leven hier nog.

Wie in Stroom de door Park verzorgde filmbeelden en foto's ziet, gelooft zijn ogen niet: dit moet het huidige Kabul zijn! Maar Amerika bombardeert zijn eigen steden op een andere manier kapot: door grootscheepse, volstrekt economisch bepaalde kapitaalverschuivingen, grondspeculatie, gebrek aan infrastructurele planning en sociale investering, massale werkeloosheid, verpaupering, criminaliteit. Een beter recept voor een uittocht van de bevolking naar min of meer beveiligde suburbs is er niet.

Goud voor idealisten, zo blijkt. Want Park en het door hem opgerichte architecten- en kunstenaarscollectief International Center for Urban Ecology kunnen op deze vrije, wilde grond voluit hun `architectuur van het verzet' ontwikkelen. Deze komt er kort gezegd op neer dat het collectief mensen stimuleert om de grond opnieuw in gebruik te nemen en in goede harmonie te ontwikkelen tot een stad die niet functioneert als een machine, maar als een ecologisch systeem, een voortdurend organisch overvloeien van het stedelijke in het landelijke, en omgekeerd.

Ruigoord bij Amsterdam! Christiania bij Kopenhagen! Parks ideaal lijkt ontleend aan deze en andere communale en rurale woonvormen uit de hippie-tijd. Misschien hebben ze hem inderdaad beïnvloed, maar het kan net zo goed zijn dat dit soort denkbeelden spontaan in mensen opkomen als delen van steden in verval raken en terugvloeien naar de natuur. Of als een beschaving kraakt. Want ook dan wordt vaak de noodzaak gevoeld van een hechtere samenlevingsvorm. Kijk maar naar het New York van na `9/11'. Of naar het pleidooi van econoom Rifkins. Hij stelt dat alleen sterke sociale samenlevingsvormen, ,,inwendig bijeengehouden door ingebedde maatschappelijke betrekkingen en uitwendig met elkaar verbonden door een gemeenschappelijk besef van het belang om de culturele verscheidenheid in stand te houden (-) een tegengif kunnen vormen voor de politiek van de mondiale commerciële netwerken die in cyberspace actief zijn.''

Weer wreekt zich dat deze tentoonstelling zo summier gedocumenteerd is, want hoe graag zou je hier niet eens lekker op door willen lezen. De leestafel die er is, mag geen naam hebben en zitten kan alleen voor de monitoren waarop continu de filmpjes over de deelnemers draaien. Teleurstellende filmpjes bovendien, want de meest elementaire informatie wordt niet gegeven. Hoe wordt Parks project georganiseerd en gefinancierd? Hoe en door wie worden beslissingen genomen? Dat had ik graag geweten. De vorm van een organisatie verraadt immers hoe over machtsstructuren wordt nagedacht. En dat vertelt weer veel over de toekomst van de onderneming.

Gelukkig wordt het idee dat je in de kunst niet informatief mag zijn, onderuitgehaald door de Britse kunstenaar Nils Norman. Hij heeft het zich zelfs tot taak gesteld om als een soort rijdende bibliotheek door Europa te trekken. Per fiets en per bus. De bus, die behalve als bibliotheek, ook als plantenkas en debatruimte is ingericht, hangt om begrijpelijke redenen als tekening aan de muur. De fiets staat tentoongesteld en blijkt een vernuftig ontworpen, grote houten kist op een aanhangwagentje te trekken.

De kist heeft deurtjes, laden en een uitschuifbaar deksel dat een zonnepaneel blijkt te zijn. Het paneel (de fiets staat recht onder een dakraam) verzorgt de energie voor het kopieerapparaat dat opzichtig op een uitgeschoven lade staat. Terecht, want hier valt veel te kopiëren. Prachtige klassiekers over het begrip utopie en wat daar zoal uit is voortgekomen, bieden zich aan, van Utopia van Thomas More tot De Stadsoorlog van H.J.A. Hofland.

De selectie is zowel Engels- als Nederlandstalig. Zou de kunstenaar zijn selectie telkens afstemmen op het land dat hij aandoet? Het oog valt op Louter Kabouter, het handboek van de vroegste eco-beweging in Nederland, die als `Kabouterpartij' nog in de Amsterdamse gemeenteraad is gekomen. Te ludiek voor de politiek, zo bleek snel, al is de voorman van toen, Roel van Duyn, uiteindelijk wel bij GroenLinks terechtgekomen. Norman, die in 1966 is geboren, blijkt zich zeer voor dit soort utopische bewegingen van de jaren '60/'70 te interesseren. Hij streeft ernaar, zegt het persbericht, `het utopische gedachtegoed van de hippies te re-activeren' en de fouten die toen zijn gemaakt, te vermijden. Het lijkt een utopie op zichzelf.

De fiets alleen al symboliseert de moeilijkheid van de opgave die Norman zich gesteld heeft: de fietser trekt de kar in zijn eentje. Hoe anders was dat toen een hele generatie vlinderde op de lichtste tijdgeest uit de geschiedenis. Zoveel emotionele saamhorigheid krijg je nu alleen kortstondig door spektakels en rampen bij elkaar. Norman zal voor uitvoering van zijn ludieke plannen voor herontwikkeling van buurten, parken en gebouwen in verschillende Europese en Amerikaanse steden, dan ook ongetwijfeld een houding moeten aannemen die toentertijd als verachtelijk gold: in overleg treden met autoriteiten en instanties. Nu niet in naam van maatschappijkritische idealen, maar omwille van de kunst.

De kunst als beschermvrouwe van de loslopende utopist: verklaart dat waarom je steeds vaker samenwerkingsverbanden ziet van kunstenaars en architecten? De laatsten hebben input nodig om hun utopische speelsheid in de wereld van projectontwikkelaars overeind te houden en de eersten kunnen de pragmatische aanpak en breed culturele visie van de bouwmeesters goed gebruiken. Het kleine Nederlandse architectenbureau One Architecture en kunstenaar Berend Strik hebben sinds 1998 dan ook al diverse malen tot volle tevredenheid samengewerkt.

Een citaat uit hun beginselverklaring: ,,Onze interactie genereert nieuwe visuele strategieën. We willen dat ons werk humoristisch, verwarrend en confronterend is, zowel met betrekking tot onze respectievelijke professies als naar de maatschappij toe. Wij zijn niet bang voor onhandigheid en incompetentie. Die kunnen juist verfrissend zijn.''

Die gedachte is zo zoetjesaan in de kunst achterhaald, en zeker in de architectuur is efficiëntie en kennis van zaken een groot goed. Je vraagt je dan ook af hoe dit gaat uitpakken bij het woon/werkcentrum voor oudere kunstenaars en wetenschappers dat het koppel voor Den Haag wil ontwerpen. De maquette bij Stroom doet het ergste vrezen. Het is een witte, in honderden kleine hokjes opengespleten bolvorm zonder een enkele rechte lijn. Geen oud of jong mens kan een stap op deze vloeren verzetten.

Maar misschien is dit al te ver doorgedacht voor het stadium van onderzoek waarin de plannen verkeren. Voor dat onderzoek is `een prikkelend programma' van eisen opgesteld waarover geen informatie wordt verstrekt, maar waarvan de uitkomsten hier worden gepresenteerd in de vorm van een serie kunstwerken van Strik. Het zijn grote fotocollages die het leven van de hedendaagse senioren in beeld moeten brengen, maar meer dan banaliteiten heeft de kunstenaar er niet in ontdekt. We zien grijze hoofden achter computers, reclame voor Viagra, vensterbanken vol geraniums, alles opgesierd met geborduurde bloemen. Bloemen zijn volgens Strik `een mooie manier om relaties aan te geven'. Zo is het. Maar een werkelijk utopische gedachte is oneindig veel mooier. Alleen, waar vinden we die nu.

`WAYS OUT, to find the right way in.' Stroom, Haags Centrum voor Beeldende Kunst. Spui 193, Den Haag. Dinsdag t/m zaterdag 12-17 uur. Tot 28 april.