De schilders worden bedankt

De Gouden Eeuw beleeft een nieuwe hausse, en nu als fictie. Dagboeken van Frans Hals, de minnares van Rembrandt, Jan van Goyens faillissement. Wie een roman schrijft over een van deze grote schilders drijft al gauw een eindje mee op diens roem.

Het omslag kan nooit het probleem zijn. Een fris Hollands interieur met zwart-witte plavuizen, plinttegeltjes, witgekalkte muren met een landkaart of een spiegel, een tafel met een Turks tapijtje en daarboven een koperen kroonluchter. Een portret, liefst een smachtend vrouwengelaat, doet het ook altijd goed bij een roman over Nederland in de zeventiende eeuw.

Naar een hoofdpersoon hoeft men evenmin lang te zoeken. Miskende schilders, geheimzinnige schilders, ongelukkige schilders, dronken schilders, vrouwen en dienstmeisjes van die schilders. En als thema komen we dan al gauw op de verwarring omtrent vervalste schilderijen, de speurtocht naar gestolen schilderijen en de ontraadseling van boodschappen in die schilderijen.

Het decor van het verhaal, tenslotte, is evenmin moeilijk te vinden. De schilderijen uit de zeventiende eeuw bieden overvloedig materiaal voor naturalistische beschrijvingen van het dagelijkse leven.

Ja, de Gouden Eeuw ligt voor het opscheppen, de romancier hoeft maar toe te tasten.

Nu hebben historische romans altijd favoriete locaties en periodes gekend, zoals de Oriënt, middeleeuws Frankrijk, Rome en Venetië in de Renaissance, en het Londen en Parijs van de negentiende eeuw. Maar daarnaast heeft zich nu een apart genre ontwikeld: de historische roman waarin een kunstenaar of kunstenares de hoofdrol speelt. De boekwinkel van de National Gallery in Londen heeft er zelfs een speciaal kastje voor, genaamd `Art Fiction'. Daar zien we The Underpainter van Jane Urquhart, The Museum Guard van Howard Norman en titels als The Raphael Affair, The Titian Committee en The Bernini Bust van Iain Pears. Binnen dat genre ontstond de laatste jaren weer een subgenre, de roman die zich afspeelt in Nederland in de Gouden Eeuw in het milieu van een schilder.

Die Nederlandse wending begon in 1995 met The Lost Diaries of Frans Hals van Michael Kernan. In 1998 verscheen over Hendrickje Sytoffels Moi, la putain de Rembrandt door Sylvie Matton (in Amerika kernachtig vertaald als Rembrandt's Whore). En het kon niet uitblijven: ook de derde schilder aan de top van de canon, Johannes Vermeer werd een romanheld, tweemaal zelfs, in Girl with a Pearl Earring van Tracy Chevalier en Girl in Hyacinth Blue van Suzan Vreeland. Vermeer's Milkmaid is een verhalenbundel van Manuel Rivas, vertaald uit het Galicisch en in In Quiet Light, bundelde Marilyn MacEntyre gedachten en gedichten.

Een buitenbeentje in dit gezelschap is de uit Frankfurt afkomstige Maria Sybilla Merian, schilderes van rupsen, vlinders en planten. Door haar kunst en haar zelfstandige levensstijl (ze maakte een reis naar Suriname) heeft ze altijd veel aandacht gekregen. In Duitsland verscheen deze maand Frau Merian! Eine Lebensgeschichte van Dieter Kühn, op zijn minst de vijfde Duitstalige biografie. Vorig jaar publiceerde Inez van Dullemen (een van de weinige auteurs in deze opsomming die Nederlands leest) haar vie romancée Maria Sibylla. Een ongebruikelijke passie. En nu we het toch over planten hebben, in 1999 kwamen drie boeken over de tulp en tulpengekte uit. Een rijk geïllustreerd standaardwerk The Tulip van Anna Pavord, Tulipomania van de Engelse historicus Mike Dash en Tulip Fever een roman van Deborah Moggach. Ook in deze boeken speelt een schilder een rol: Jan van Goyen, die door de handel in tulpenbollen zwaar in de schulden was geraakt.

Dat Nederland niet alleen door schilders werd bevolkt blijkt uit nog weer andere titels, zoals The Pretender van Jane Stevenson over een dokter te Middelburg, en uit Sea Change van Robert Goddard over een failliete Engelse kaartenmaker in Amsterdam. Beiden raken in spionagezaken verwikkeld.

Verder van huis tesnlotte, zijn boeken met het vroege New York, het toenmalige Nieuw Amsterdam, als plaats van handeling. Van Michael Pye verscheen in 1995 The Drowning Room. The Story of the First Whore of New York. Volumineuzer is de grote roman van Beverly Swerling City of Dreams (zie elders in deze bijlage). De laatste twee loten aan deze zeventiende eeuwrage hebben beide een zelfde onderwerp: de scheepsramp van het VOC-schip de Batavia voor de westkust van Australië in 1629. Ook daarin speelt een schilder een rol. Veel van deze boeken zijn ongemeen succesvol en zijn ook vrijwel alle vertaald in het Nederlands.

Waaraan hebben we die fictionele belangstelling te danken? En waarom willen we dat allemaal weten? Die vrouwen van Rembrandt, het bankroet van Jan van Goyen, de dronkenschap van Frans Hals. Is het voyeurisme met terugwerkende kracht?

Ongetwijfeld heeft Umberto Eco's De naam van de roos de historische roman flink opgestoten in de vaart der volkeren. Dit boek liet zien hoe een amalgaam van feiten, verzinsels, suspense, eruditie en beeldende beschrijvingen tot verheugende verkoopcijfers kan leiden. Maar de specialisatie in romans die zich in het zeventiende-eeuwse Nederland afspelen moet zijn ingegeven door een ander boek: Simon Schama's The Embarrassment of Riches uit 1988.

In Schama's lappendeken van anekdotiek en fantasierijke historische associaties komen alle thema's voor: de schilders met hun eigenaardigheden, de tulpengekte, de waterkelder, huiselijkheid, hoeren en schurken. Schama tovert de lezer een Nederland voor ogen als een rariteitenkabinet, een kleurrijk landje vol historische ongerijmdheden, talent, lef, een gecomprimeerde wereld van genieën, waar men Rembrandt, Vermeer, Frans Hals, Van Goyen, Van Leeuwenhoek, Descartes en de gebroeders Huygens allemaal zo'n beetje temidden van hun vroom calvinistische medeburgers op de markt kan zien rondscharrelen. Een historische grabbelton voor romanciers.

Maar dat verklaart nog niet alles. Waarom gaan zoveel van die boeken nu juist over schilders?

De grootste impuls tot het schrijven moeten de schilderijen zijn geweest. Die zijn zo goed over de hele wereld vertegenwoordigd dat elke romanschrijver ze met weinig moeite onder ogen kan krijgen. En het kan geen toeval zijn dat juist aan de schilders over wie deze boeken geschreven zijn de afgelopen tien jaar in de Verenigde Staten, in Londen en in Nederland grote overzichtstentoonstellingen werden gewijd. Aan Rembrandt zelfs enkele malen, aan Frans Hals in 1990, aan Vermeer in 1995, aan Van Goyen in 1996 en aan Maria Sybilla Merian in 1998. Bovendien kregen ook de Nederlandse landschapsschilderkunst, de maritieme schilderkunst en de bloemstillevens grote exposities.

De schilders uit de Gouden Eeuw hebben zo'n dwingende realistische uitwerking dat, wanneer je voor hun werk staat, het bijna onmogelijk is er niet in te stappen en je niet te wanen in de straten van zeventiende-eeuws Amsterdam of Haarlem, in een Delftse binnenkamer of een grootstedelijk `bordeeltgen'. En is de verbeelding daardoor eenmaal aangezwengeld dan slaat die makkelijk op hol. Wie een roman schrijft over een van deze grote schilders, drijft al gauw een eindje mee op diens roem.

De kwaliteit van al deze boeken loopt sterk uiteen. Het gaat om onbenullige liefdesromannetjes tot goedbedoelde serene prietpraat over `verstilling' en `veelzeggend licht' waarbinnen de calvinistische dominee, de wereldvreemde schilder, de keukenmeid met haar roomblanke armen en de ruwe schipper opereren. Een enkele keer treft men een aanvaardbare combinatie aan van een geloofwaardig verhaal en overtuigende beschrijvingen. Hoe meer naturalistische beschrijvingen ze bevatten, hoe slechter ze zijn. Het benadrukken van kleuren, geuren en materialen moet de authenticiteit garanderen. En wat (behalve de onwaarachtige dialogen), ook opvalt is hoeveel van die boeken openen met een plastische scène om de lezer maar goed in te peperen dat dit geschiedenis is, en dat de mensen toen niet alleen kleiner en eigenlijk ook wat dommer waren, maar vooral primitiever.

Beverly Swerlin laat haar heldin al op pagina één haar behoefte doen op het bovendek van het schip De Prinses. Jane Stevenson tovert ons direct al het stinkende lijk voor ogen van een geëxecuteerde moordenares waarop sectie wordt verricht. En Arabella Edge tracteert de lezer op de eerste bladzijde op `blauwdooraderde borsten', die boven het gezicht van de jonge held bengelen en die hem hun `donkere rimpelige vrucht' bieden. Straten, huizen interieurs, zelfs de slaapkamer van Rembrandt weet men haarscherp te beschrijven. In enkele gevallen is precies vast te stellen welk schilderij een auteur voor ogen heeft gestaan. De literaire fictie blijft die schilderijen simpelweg opvatten als een directe, betrouwbare, visuele bron. Zó was het.

Maar is dat erg? Het is toch literatuur?

Zeker, maar dan moet die fictie wel overtuigen en geen bordkartonnen decor opbouwen, derderangs costumiers inhuren of clichéfiguranten opvoeren. Dan moeten de auteurs ook niet komen aanzetten met deftige bedankjes aan historici, bibliothecarissen en museumconservatoren en geen literatuurlijst opvoeren als garantie voor het werkelijkheidsgehalte. Een aantal auteurs komt uit de hoek van de scenarioschrijverij (Sylvie Matton, Deborah Moggach), doceert literatuur (Suzan Vreeland, Jane Stevenson) of beroemen zich erop een cursus creative writing te hebben gevolgd (Tracy Chevalier). Maar dat alles is nog geen garantie voor een geslaagde roman.

Het probleem van historische romans die zich afspelen voor, laten we zeggen, de negentiende eeuw is dat er eenvoudigweg te weinig persoonlijks over de hoofdpersonen bekend is. Of het nu om Frans Hals gaat, een kaartenmaker of zelfs een koning of keizer, we kunnen bij gebrek aan persoonlijke bronnen nauwelijks iets over hun zieleleven met zekerheid vaststellen. Schrijvers van fictie storen zich daar niet aan, zij `zien' of `weten' wat hun held heeft bezield heeft, laten hen spreken (in een 21ste-eeuws taaltje) en gaan te werk met een ongebreidelde fantasie.

Kunnen feit en verbeelding elkaar dan nooit treffen?

Als het al kan, dan moet de auteur aan de andere kant beginnen. Aan de historische kant. Niet bij een goed in de markt liggende held als Rembrandt, maar in een goed gedocumenteerde casus. Dat het mogelijk is bewees enkele jaren geleden de historicus Leonard Blussé met Bitters Bruid. Dit boek, dat deels in Batavia en deels in Nederland speelt, over het juridische gevecht van Cornelia van Nijenroode eind zeventiende eeuw om de erfenis die haar man voor zichzelf opeiste werd terecht bekroond met de Gouden Uil. Ook het recente boek van Mike Dash, Batavia's Graveyard, laat zien dat het kan. Dit werk gaat terug op een historisch drama dat zo krankzinnig is dat het moeilijk is te geloven dat het niet verzonnen is. Al in 1963 was het onderwerp van een roman door Henriette Drake-Brockman Voyage to Disaster.

Summier samengevat verliep het drama als volgt. In 1628 vertrok het VOC-schip Batavia van Texel. Aan boord bevinden zich 341 mensen onder wie 38 vrouwen en kinderen. De leiding berustte bij de opperkoopman Pelsaert en de schipper Adriaan Jacobsz. In rang daaronder stond de opperkoopman Jeronimus Cornelisz. Deze Jeronimus, een Haarlemse apotheker, was een pathologische figuur, een godsdienstgek die in Haarlem geïnfecteerd was geraakt door het atheïstische gedachtegoed van de schilder Jan Simonsz van de Beeck, beter bekend onder de naam Torrentius. Hij stond te boek als een uitstekend vakman, maar zijn roem dankt hij toch aan zijn goddeloze theorieën, waarvoor hij in 1628 gearresteerd werd en in het gevang belandde, waar hij overleed.

Na het ronden van Kaap de Goede Hoop begonnen er zich aan boord vreemde taferelen af te spelen. De schipper drong zich op aan verscheidene vrouwen, er werd teveel gedronken, Pelsaert werd ziek en de schipper en de verlopen apotheker besloten in dit gezagsvacuum het schip te overmeesteren, de meerderheid van de opvarenden onder wie Pelsaert te vermoorden en daarna als piraten op VOC-schepen te jagen.

Zover kwam het niet, omdat op het moment dat de muiterij plaats zou vinden het schip stukliep op de koraalriffen voor de Westkust van Australië. Een groot deel van de opvarenden wist zich in veiligheid te brengen op een aantal eilandjes. Op een daarvan belandde Jeronimus met een enkele getrouwen. Hij ontpopte zich hier tot een psychopaat, die een soort satansdienst instelde. Onbewogen liet hij meer dan honderd schipbreukelingen afmaken, moedigde verkrachtingen aan, sloot links en rechts wat huwelijken en zag een mooie toekomst voor zichzelf weggelegd.

Het gruwelijke paradijs duurde drie maanden. Een groep wist onder leiding van Pelsaert met een boot te ontkomen en de autoriteiten in Batavia te waarschuwen. Onmiddellijk werd een schip met soldaten gestuurd, Jeronimus en zijn kornuiten werden gevangen genomen, berecht en opgeknoopt. Anderen werden naar Batavia gevoerd en alsnog ter dood veroordeeld.

Met dit gegeven kan geen boek meer stuk, zou je zeggen, maar Arabella Edge weet er in haar Company toch nog een draak van te fabriceren. Zij kroop in de huid van de sinistere Jeronimus en laat hem onophoudelijk in zijn eigen broeierige ziel schouwen. `Dit boek is een product van de verbeelding', zo waarschuwt al de eerste zin van het voorwoord, waarna de auteur verklaart dat ze van historische bronnen is uitgegaan en nog wat Engelstalige literatuur opdist. Ze moet schilderijen hebben gezien en plaatjes van Amsterdam in de negentiende-eeuw. Maar de Batavia is in haar verbeelding een mengsel van een zeventiende-eeuws zeilschip en een negentiende-eeuws passagiersschip, dat in vijf maanden Indië zou bereiken (zeven maanden was al snel). Op het schip leefden passagiers, die zichzelf voor eigen rekening eens flink in Azië gingen verrijken (in werkelijkheid dienden ze de VOC). Het ruim lag vol goud en zilver voor de `sultans aan de Mogul-hoven'. Maar met een ruim vol goud ligt zo'n schip meteen op de zeebodem. En die sultans zaten in Constantinopel en niet in Agra. Het schip zelf bevatte volgens de auteur een salon en patrijspoorten en was van buiten bedekt met een laag vernis. In het ruim woonden – kennelijk tussen het goud – de zwangere zeugen voor onderweg. Zo kleppert dit boek maar voort.

Het is de luiheid van de verbeelding, een vrijbrief die de auteur toestaat om haar fantasie de vrije loop te laten. Het werd bekroond met de `Commonwealth Writers Prize 2001' voor het beste debuut.

Het boek van Mike Dash over hetzelfde onderwerp is overgelijkelijk veel beter. Evenals voor Tulip Fever heeft hij zich uitstekend geïnformeerd. Zijn boek is `narrative non-fiction': in dit geval goed gedocumenteerde, onderhoudende geschiedschrijving. Dash heeft zich op de hoogte gesteld van de meest recente literatuur, raadpleegde archieven en ondervroeg niet alleen de forensisch specialisten die de skeletten van vermoorde opvarenden hadden onderzocht, maar ging ook te rade bij een psychiater om iets over de hysterische waanzin van Jeronimus Cormelisz te weten te komen. Dash is als historicus gebonden aan zijn bronnen. Hij kan niet treden buiten datgene wat die bronnen vertellen of wat daaruit is af te leiden.

Dat betekent dat hij weerstand moet bieden aan `de fictieve verleiding'. En evenals Blussé zwicht hij daar een enkele keer voor. Dan wordt het narratieve element ingekleurd, beeldender gemaakt. Daar laat hij mensen spreken, nadenken, over hun hoofd wrijven en naar de horizon turen, wat ze allemaal ongetwijfeld hebben gedaan, maar wat in geen enkele bron is terug te vinden. Het is daar dat de historische hand ter wille van het effect even uitschiet. Het doet de waarachtigheid van zijn reconstructie geen geweld aan.

En het levert veel onderhoudender en inzichtelijker proza op dan al die door de verbeelding ingegeven, schilderachtige schildersfictie.

Mike Dash Batavia's Graveyard. The True Story of the Mad Heretic Who Led History's Bloodiest Mutiny. Weidenfeld, 398 blz. € 22,30. Een Nederlandse vertaling verschijnt in juni bij de Arbeiderspers.

Arabella Edge: The Company. The Story of a Murderer. Simon & Schuster, 384 blz, € 22,95. Vertaald door Aris van Braam als `De Compagnie. Het relaas van een moordenaar.' De Boekerij, 256 blz. € 17,95

Het in deze recensie genoemde boek `City of Dreams' van Beverly Swerling wordt besproken op pagina 32.