De duivel neemt alles letterlijk

Aan het eind van Kwade dagen, de derde roman van Rob van Essen, weet je tamelijk zeker dat Matthijs Verkerk de duivel niet is. Die opluchting, toch al opmerkelijk voor een Nederlandse roman, is niet het gevoel waarmee je denkt te eindigen aan het begin van het boek, dat aanvankelijk lijkt te draaien om de eigentijdse beslommeringen van een man in crisis. Ooit zanger van het bandje The Pubers, maar nu vijfendertig, vereenzaamd en verlangend naar liefde van en seks met mooie meisjes die `zijn leven hadden kunnen redden'.

Deze Matthijs Verkerk koopt tijdens een bloedhete dag op het Waterlooplein in Amsterdam een elpee van het christelijk jongenskoor waarin hij als kind zong. Als hij een paar minuten later met de oude hoes in een café zit, gebeurt het. `,,Zo,' zei een stem naast me. ,,Dat lijkt wel een grammofoonplaat. Heb jij nog een pick-up thuis?' De stem kwam van zo dichtbij dat hij het kroeglawaai moeiteloos overstemde; het was of de woorden rechtstreeks in mijn hersenen werden geplant.' Ze heet Violet.

Violet toont een grote belangstelling voor hem en zijn verleden. En dan vooral voor het deel dat zich afspeelde in Rijshorst, een zeer calvinistisch Twents dorp. Daar gold hij als koorsolist en het slimste jongetje van de klas: geïnteresseerd in bijbelteksten, anderen met citaten uit de Statenvertaling om de oren slaand en soms onconventioneel doorvragend naar het wezen van hemel en hel. Een mede door Matthijs veroorzaakt muzikaal-theologisch dispuut betekent het einde van het jongenskoor. Niet alleen valt de groep uiteen: de dirigent, Meester Woolderink, wordt door de koorleden met zoveel sneeuwballen bekogeld dat hij van zijn fiets valt en in coma raakt.

Dat voorval is niet de enige ramp uit de Rijshorster jeugd. Als Matthijs Verkerk twaalf is, verongelukken zijn ouders en verhuist hij naar een oom en tante in Lunteren. Daar wordt hij (bijnaam `Matthijs Ereprijs') zanger en tekstschrijver van het jongensgroepje The Pubers, dat een paar hitjes heeft en dan weer wordt vergeten. Twintig jaar later schrijft Verkerk nietszeggende teksten voor hypercommerciële hype-platen, zoals het nummer Hellbender (`This is my hunt the devils' hunt/ you can't hurt me your knife's too blunt/ because you're dead you start to smell/ fucking hell fucking hell fucking hell'), dat in de dagen waarin de roman zich afspeelt een steeds grotere hit wordt.

Niet dat het Verkerk veel kan schelen: hij laat zich door Violet meenemen op een autorit naar het oosten, die – hoe kan het ook anders – eindigt in Rijshorst. Dan ook blijkt niet het verlangen naar Violet het hoofdthema van Kwade dagen te zijn, maar de nawerking van Matthijs' jeugd in het dorp. Ook na twintig jaar is men hem niet vergeten, verre van dat: uit alle hoeken en gaten verschijnen mensen uit zijn jeugd, van wie slechts een enkeling blij is hem te zien. Matthijs wordt in de gevangenis gegooid, geslagen, beschuldigd en lastiggevallen. Hij valt regelmatig flauw, heeft constant hoofdpijn, moet toezien hoe mensen sterven.

Niet zonder reden krijgt Matthijs Verkerk het idee dat er in Rijshorst een complot tegen hem wordt gesmeed, een complot dat naar mate het boek vordert steeds nadrukkelijker satanische trekken krijgt. En dat Kwade dagen een geleidelijk opgevoerde spanning geeft, waardoor het boek weleens een plaats zou kunnen krijgen in de rij literaire werken die opduiken in de nominatielijsten voor de Gouden Strop, de jaarljkse prijs voor het beste Nederlandstalige spannende boek. Van Essens stijl is filmisch, met veel dialogen schrijft hij zich van scène naar scène.

In die scènes komt een schier eindeloze reeks bijfiguren aan bod, waarbij de auteur voor de meesten ook nog een dubbelrol in petto heeft. Dat is echter ook een van de zwakkere kanten van de roman. Uiteindelijk passeren zoveel personages de revue dat ze eigenlijk allemaal te schematisch blijven. Steeds vaker ga je je afvragen waarom ze toch doen wat ze doen. Bij Matthijs Verkerk zijn de motieven nog redelijk helder. Hij is onzeker, een tikje gemakzuchtig en heeft weinig oog voor zijn omgeving en nog minder voor zijn eigen rol daarin. Zijn problemen volgen uit het feit dat hij te licht over het leven denkt. `Hellbender' gaat nergens over, verzekert hij Violet keer op keer, maar wat blijkt is dat zijn omgeving, en zeker een calvinistisch dorp, daar niet zo licht over denkt. En dat je de woorden letterlijk moet nemen, zoals Matthijs zelf deed bij de ruzie die leidde tot het einde van het jongenskoor.

Uiteindelijk blijkt de macht van het woord (en dan vooral Verkerks eigen woord) vele malen groter dan verwacht. De sporen die hij in Rijshorst heeft achtergelaten blijken diep. Maar waarom de impact van zijn woorden in Rijshorst zo kolossaal was, blijft enigszins duister. Het heeft te maken met de verveling die hoort bij het leven in een streng-religieus dorp en met de verleiding van popmuziek, seksualiteit en andere grootsteedse gevaren, maar hoe dat alles precies in elkaar grijpt, werkt Van Essen net niet genoeg uit. Dat geldt ook voor de ontknoping, die weliswaar spectaculair is maar waarin het toevalligheden en misverstanden een net iets te cruciale rol spelen. Tenzij Van Essen duidelijk wil maken achter al dat toeval toch de sturende hand van Satan zit. Dan is Kwade dagen nog onheilspellender dan het nu al lijkt te zijn.

Rob van Essen: Kwade dagen. Thomas Rap, 366 blz. € 22,50