Alleen nog maar kale muren

Het komt niet vaak voor: een roman die onbesproken blijft, omdat geen van de recensenten er raad mee weet. Toch is het in deze krant gebeurd met De Joden (1999), de vorige roman van Nachoem M. Wijnberg, bestaande uit idiote dialogen waarin onder anderen Stalin, Beria, het echtpaar Heidegger, Walter Benjamin en Salomon Maimon aan het woord komen. Iedereen kletst er vrolijk op los (behalve Stalin, die steeds aan één woord genoeg heeft), maar waar het allemaal om draait? God mag het weten.

Vergeleken met dit bizarre boek is Wijnbergs nieuwe roman Politiek en liefde op het eerste gezicht een wonder van toegankelijkheid. Er is een verhaal, er treden allerlei personages op, en behalve dialogen zijn er ook gewone beschrijvingen. Niets aan de hand dus, zou je zeggen.

Het verhaal over de geheimzinnige ziekte die Afrika getroffen heeft en een niet met name genoemd Afrikaans land in een chaos van opstand en burgeroorlog heeft gestort, klinkt meer dan vertrouwd. De Afrikanen vragen de wereld om hulp, maar alleen Nederland (dat dankzij de herinvoering van de dienstplicht beschikt over een `nieuw en groot leger') schiet te hulp. Er vindt een expeditie plaats, die op niets uitloopt, en achteraf komt er een gerechtelijk onderzoek. Ook dat klinkt vertrouwd. VN-vredesoperaties, Srebrenica, aids, Afrika als `verloren' continent – veel in de roman lijkt direct te verwijzen naar zaken waar de kranten mee volstaan.

Tot zover de politiek, maar de roman heet Politiek en liefde. Hij eindigt met twee huwelijken en ook voordien komen er allerlei amoureuze ontmoetingen in voor, evenals een bal. `Op een bal ontmoet politiek liefde', zegt een van de personages. Wat dat te betekenen heeft, is minder duidelijk. Op hetzelfde bal is er ook iemand die een van de gasten een lege sigarettendoos aanbiedt, en dat lijkt meer van toepassing. Niet alleen op de ontmoeting tussen politiek en liefde, maar ook op de hele roman, waarin een vreemd soort leegte je aangaapt.

De personages blijven schimmen, van wie je nauwelijks iets meer te weten komt dan hun namen (Andrei, Nicolai, Ceecee, generaal Vanderbergh, Doanine, meneer en mevrouw Cosman) en soms zelfs dat niet (ze worden dan aangeduid met hun functie: de verpleegster, de opvolgster, of slechts met een voorletter: Q en R bijvoorbeeld). Hun gedragingen worden beschreven, zonder dat je enig idee krijgt wat er in hen omgaat. Ze komen elkaar tegen, dansen wat of barsten in gezang uit, ze voeren vage, zich al gauw in onbenullige of dwaze details verliezende gesprekken en vallen elkaar soms in de armen.

De expeditie in Afrika blijkt welbeschouwd al even vaag. Wat doen die Nederlandse militairen er eigenlijk? Ze huizen in een tentenkamp, houden een `bierrace' op het strand en drinken bier in een naburig café, ze gaan een keer op jacht, hun generaal deelt het bed met de Afrikaanse `generaal' Doanine, er breekt brand uit in het café, en als de regentijd daar is, blazen de Nederlanders de aftocht, zonder één schot te hebben gelost. Dat laatste gebeurt pas in Den Haag, wanneer generaal Vanderbergh tijdens zijn verhoor voor de niet uit de plooi te krijgen rechters tot twee keer toe een `waarschuwingsschot' afvuurt. Het geheel lijkt bij nader inzien nauwelijks minder zot en ondoorgrondelijk dan de dialogen in De Joden.

Het verschil zit hem in de onverstoorbare gang van de vertelling, die doet alsof er niets aan de hand is. Of beter gezegd: alsof we te maken hebben met een klassieke roman à la Jane Austen (de favoriete schrijfster van de generaal) of Tolstoj (vandaar, naar ik aanneem, de Russische voornamen van sommige personages). Uit hun romans lijkt ook het bal te zijn weggelopen waar liefde en politiek elkaar zouden ontmoeten. Binnen dit stramien heeft Wijnberg lukraak een aantal personages losgelaten, om te zien wat er van komt. De verteltrant handhaaft alleen de schijn van overzicht en regie, typerend voor de realistische en psychologische roman uit de negentiende eeuw; in de praktijk zijn realisme en psychologie ver te zoeken.

De personages, zo krijg je de indruk, spelen een rol in een toneelstuk waarvan hun de tekst is onthouden – het enige wat ze hebben zijn hun reflexen, tics en hebbelijkheden en daarmee tuimelen ze van de ene scène in de andere, er ondertussen à l'improviste op los pratend. Wat dit indirect benadrukt is het conventionele karakter van de realistische roman. De orde die daarin regeert, berust op een kunstgreep, een vorm, die zich hier toont als de illusie die hij in feite is.

Misschien heeft Wijnberg op deze manier wel de zinloosheid van militair ingrijpen in Afrika willen onderstrepen. Het Nederlandse leger, waarvan de officieren zich onledig houden met managementcursussen en `oorlogsspelen' en dromen van een `rechtvaardige oorlog', zonder iets van Afrika te weten, blijkt in het veld een lachertje. De raadselachtige waarschuwingsschoten van de generaal zouden in dat geval een signaal zijn tegen een achterhaalde neokoloniale mentaliteit.

Van deze generaal wordt ergens gezegd dat hij terug zou willen naar de negentiende eeuw. In zekere zin geldt voor de roman als geheel hetzelfde – zonder dat het lukt. Maar ditmaal met opzet. Wijnberg leent een negentiende-eeuwse vorm, die hij vervolgens tot op het bot uitkleedt. Van interessante personages, spectaculaire scènes, een meeslepende intrige of een beeldende stijl moet Politiek en liefde het dan ook niet hebben.

Weinig in dit kleurloze proza hecht zich in het geheugen, of het moeten de malle ideeën zijn die nu en dan worden geopperd. Bijvoorbeeld het idee dat elk land één van zijn burgers zou moeten vrijstellen om de begroeting van `buitenaardse wezens' voor te bereiden. De wereld zou daartoe ook één land in zijn geheel kunnen vrijstellen. Het personage dat met het idee komt, stelt voor Nederland te kiezen, het `bewolkte paradijs' van de negentiende-eeuwse romantici, zoals het elders wordt genoemd.

Misschien verschaft dit idee tegelijk een soort sleutel tot deze wonderlijke, ogenschijnlijk naar willekeur en absurdisme neigende roman. Van de traditionele vorm waarin hij is geschreven, staan alleen de kale muren nog overeind. Binnen die muren dolen de personages rond, zonder zich al te zeer te verbazen over hun militaire en amoureuze belevenissen, hoe ongerijmd die ook mogen zijn. Keken ze daarentegen naar boven, waar het dak ontbreekt, dan zouden ze kunnen ontdekken in wat voor onbevattelijk universum hun beperkte theater zich in werkelijkheid afspeelt.

Nu kan alleen de lezer dat, gesteld tenminste dat die in zijn `bewolkte paradijs' niet de ogen sluit voor wat de spelers ontgaat.

Nachoem M. Wijnberg: Politiek en liefde. Contact. 237 blz. € 19,75