School en islam

Een ruime meerderheid van de islamitische scholen levert geen problemen op voor de democratische rechtsorde. Dit constateert de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) in een vervolgrapport over de politieke islam in Nederland. Het plaatst de aanvankelijke opwinding van de eerstverantwoordelijke bewindspersoon, staatssecretaris Adelmund van Onderwijs, in een rustig perspectief. Toch signaleert de BVD zorgelijke ontwikkelingen: financiële invloed van buitenlandse fundamentalistische organisaties, de aanwezigheid van radicale elementen in sommige schoolbesturen en een ,,beklemmende intimiderende sfeer'' op een aantal scholen of in het naschoolse onderricht in de eigen allochtone taal.

De islam is een internationale godsdienst en het staat een ieder vrij het zijne te denken over integratie en isolement. Maar het past wel een grens te trekken bij sectarisch gestook. Buitenlandse financiële injecties zijn strikt genomen niet eens nodig, aangezien de bekostiging van het bijzonder onderwijs krachtens de Grondwet geheel voor rekening van de overheid komt. Van belang noemt de BVD ook dat het bijzonder onderwijs beschikt over een krachtige eigen bestuursstructuur. Dat is het gevolg van de schoolstrijd, die heeft geresulteerd in het befaamde artikel 23 van de Grondwet uit 1917.

De erkenning van de eigen religieuze identiteit die daarin is vervat, vormt een kostbaar mensenrecht. Maar het is ook een rigide regeling, zoals opeenvolgende grondwetsherzieningen hebben geleerd. De moeilijk aantastbare positie van de schoolbesturen heeft volgens het BVD-rapport dan ook ,,een keerzijde''. De Nederlandse overheid heeft volgens de dienst noch de middelen noch de expertise om behoorlijk tegenwicht te bieden aan rabiate tegenstanders van integratie op islamitische scholen. Dat is niet alleen het geval wegens het vaak ,,heimelijke'' karakter van de radicale indoctrinatie die de BVD signaleert. Het ligt ook aan het overheidstoezicht op het onderwijs, dat zich slechts met moeite ontworstelt aan het keurslijf van 1917. Bij deze confessionele grondwetsdoctrine past ,,een terughoudende overheid en derhalve een terughoudende inspectie'', zoals vorig jaar nog eens in herinnering werd gebracht door het CDA – de kampioen van het bijzonder onderwijs. Deze partij maakte grote ophef over het verschil tussen de zogeheten deugdelijkheidseisen waaraan de onderwijsinspectie bijzondere scholen mag toetsen en kwaliteitseisen – zoals het pedagogisch klimaat– waar de inspectie buiten zou moeten blijven.

De stelling dat de school van de ouders is, wordt in deze kring met kracht afgewezen. Dit zou te zeer treden in ,,de bestuurlijke inrichting van het bijzonder onderwijs'', aldus een onderwijsexpert van de Vrije Universiteit. De bijzondere school is van het bestuur en niet van de ouders. Dat draagt bij tot de ,,machtspositie'' die de BVD nu aanwijst als knelpunt. Beter dan te mopperen dat de inspectie wel wat eerder oog had mogen hebben voor het extreem-islamitische indoctrinatiegevaar zou men zich in confessionele kring wel eens mogen afvragen of de zo hardnekkig gekoesterde inrichtingsvrijheid zich niet heeft ontpopt als een paard van Troje.